Vreemdelingenrecht
Verzoek PKV. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van tegemoetkomen zoals hiervoor bedoeld. Het…
Rechtbank Den Haag, 6 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22075 · Rechtbank Den Haag · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-22075
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 7 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL25.34195
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22075
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek PKV. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van tegemoetkomen zoals hiervoor bedoeld. Het nieuwe, inwilligende besluit is genomen op grond van informatie die ten tijde van het eerdere besluit niet bekend was en waarmee door verweerder geen rekening kon worden gehouden. De rechtbank acht hierbij – met verweerder – van belang dat aan verzoeker voldoende mogelijkheid is geboden deze informatie op een eerder moment te overleggen. Het begunstigende besluit is pas genomen op grond van de in beroep nieuw bekende feiten en omstandigheden, namelijk de door de gemachtigde van verzoeker in beroep ingebrachte informatie en de aanvullende stukken die nadien nog zijn ingebracht
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.34195
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen
[verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1979, van Ghanese nationaliteit, verzoeker,
(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
De rechtbank heeft op 25 juli 2025 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 27 juni 2025.
Bij besluit van 16 juli 2026 heeft verweerder het besluit van 27 juni 2025 ingetrokken en het bezwaar van verzoeker alsnog gegrond verklaard.
Op 28 juli 2026 heeft de gemachtigde van verzoeker het beroep ingetrokken en aanspraak gemaakt op vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft op 4 augustus 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten veroordelen.
2. De rechtbank stelt vast dat het verzoek gelijktijdig met de intrekking van het beroep is gedaan.
3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. Volgens de Afdeling is bij intrekking van een besluit vanwege nieuwe feiten en omstandigheden of vanwege nadien verkregen informatie geen sprake van tegemoetkomen.
4. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van tegemoetkomen zoals hiervoor bedoeld. Het nieuwe, inwilligende, besluit van 16 juli 2026 is genomen op grond van informatie die ten tijde van het eerdere besluit niet bekend was en waarmee door verweerder geen rekening kon worden gehouden. De rechtbank acht hierbij – met verweerder – van belang dat aan verzoeker voldoende mogelijkheid is geboden deze informatie op een eerder moment te overleggen. Het begunstigende besluit is pas genomen op grond van de in beroep nieuw bekende feiten en omstandigheden, namelijk de door de gemachtigde van verzoeker in beroep ingebrachte informatie en de aanvullende stukken die nadien nog zijn ingebracht.
5. Gezien het voorgaande wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
H. El Ouahabi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.