Vreemdelingenrecht
Bewaring, vrijheidsontnemende maatregel artikel 6 1e en 2e lid, geen gronden tegen toegangsweigering, inreis…
Rechtbank Den Haag, 7 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22332 · Rechtbank Den Haag · 7 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-22332
Zaakgegevens
Op 7 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2026
- Datum publicatie
- 10 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.42975
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22332
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring, vrijheidsontnemende maatregel artikel 6 1e en 2e lid, geen gronden tegen toegangsweigering, inreis met vals paspoort, geen feiten en omstandigheden voor lichter middel aangevoerd, voldoende voortvarend handelen
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42975
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. F. Schoot).
Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2026 is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van 29 juli 2026 is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L.I. Matamala. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Overwegingen
Over het besluit tot toegangsweigering
1. De minister heeft eiser de toegang geweigerd omdat eiser:
- niet in het bezit is van een geldig reisdocument;
- in het bezit was van een vals/nagemaakt/vervalst reisdocument;
- beschouwd wordt als een gevaar voor de openbare orde en de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten van de Europese Unie.
2. Eiser heeft geen administratief beroep ingesteld tegen het besluit tot toegangsweigering en heeft ook geen gemotiveerde gronden aangevoerd tegen het besluit tot toegangsweigering, zodat dit besluit in rechte vaststaat.
Over de vrijheidsontnemende maatregel
3. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
4. Eiser heeft geprobeerd zichzelf toegang te verschaffen tot het Schengengebied met gebruikmaking van een niet aan hem toebehorend paspoort. Gelet hierop is al sprake van een zwaarwegend grensbewakingsbelang, waarbij toepassing van een lichter middel niet voor de hand ligt. Eiser heeft ook geen bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat de vrijheidsontnemende maatregel als onevenredig bezwarend moet worden aangemerkt. Eisers betoog dat de minister had kunnen volstaan met een lichter middel faalt daarom.
5. Ook eisers betoog dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld faalt. Weliswaar heeft eiser een maand in strafrechtelijke detentie verbleven, maar de einddatum van die detentie stond pas op 16 juli 2026 vast. Vanaf de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel heeft de minister de voorbereiding van de verwijdering van eiser voortvarend opgepakt. Ter zitting is gebleken dat eiser op 7 augustus 2026 wordt uitgezet naar Bolivia. De minister had wellicht op sommige onderdelen sneller kunnen handelen, maar de rechtbank acht, gelet op het geheel van handelingen en het tijdsverloop daartussen, de handelwijze van verweerder in deze voldoende voortvarend.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.