Vreemdelingenrecht

8 EVRM - Eritrea - nareis broertje - paspoortvereiste - geen hechte persoonlijke banden - beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 11 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 11 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
11 augustus 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
NL25.60904
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22485
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

8 EVRM - Eritrea - nareis broertje - paspoortvereiste - geen hechte persoonlijke banden - beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.60904


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

geboren op [geboortedatum],

van Eritrese nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D. Post).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de verblijfsaanvraag van eiser. Eiser beoogt gezinshereniging met zijn broer [naam 2] (referent). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 12 maart 2024 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig (mvv) verblijf ingediend voor het verblijfsdoel “verblijf als familie- of gezinslid” bij referent. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 11 maart 2025 afgewezen. Eiser is hiertegen in bezwaar gegaan. Met het bestreden besluit van 14 november 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.1.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Bezwaarschrift herhaald en ingelast

3. De enkele verwijzing naar het bezwaarschrift en het verzoek om dat als herhaald en ingelast te beschouwen is onvoldoende om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De rechtbank stelt vast dat de minister hierop in het bestreden besluit een uitgebreide motivering heeft gegeven. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op het bezwaarschrift volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
Had de minister vrijstelling van het paspoortvereiste aan eiser dienen te verlenen?

4. Eiser stelt dat de minister vrijstelling van het paspoortvereiste had kunnen verlenen, omdat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen paspoort kan krijgen. Gelet op de dienstplicht in Eritrea kan hij niet in het bezit komen van identiteitsdocumenten van de Eritrese overheid. Dit kan pas wanneer hij zijn dienstplicht heeft vervuld. Van eiser kan, gelet op de staat van de administratie in Eritrea, de illegitimiteit van de autoriteiten en de risico’s die eiser zou moeten nemen, niet worden verwacht dat hij zich tot de Eritrese autoriteiten wendt. De samenwerkingsplicht brengt in dit geval met zich dat de minister de door eiser overgelegde documenten in onderlinge samenhang met de verklaringen van referent had moeten bezien.

5. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen vrijstelling van het paspoortvereiste aan eiser heeft hoeven verlenen. De rechtbank stelt voorop dat het in eerste instantie aan eiser is om de identiteit en gestelde familierechtelijke relatie te staven. De rechtbank is, met de minister, van oordeel dat het voor eiser moeilijk kan zijn om aan documenten van de Eritrese autoriteiten te komen. De minister heeft echter desondanks van eiser mogen verwachten dat hij in ieder geval inspanningen verricht om zijn identiteit en familierechtelijke relatie aan te tonen. De minister heeft in dit kader overwogen dat, wanneer eiser geen paspoort kan krijgen, hij zijn identiteit op een andere manier moet aantonen, bijvoorbeeld met een identiteitskaart, geboorteakte of nationaliteitsverklaring. De rechtbank stelt vast dat eiser ter onderbouwing van zijn identiteit een kerkelijke doopakte en de registratie in het vluchtelingenkamp in Ethiopië heeft overgelegd. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser hiermee zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. De kerkelijke doopakte is immers geen geboorteakte en is ook niet door een officiële overheidsinstantie afgegeven. De minister heeft aan de doopakte dan ook niet de waarde hoeven toekennen die eiser daaraan toekent. Ditzelfde geldt voor de registratie in het vluchtelingenkamp in Ethiopië, nu deze niet is afgegeven door de Eritrese autoriteiten en evenmin is gebleken dat de registratie is opgesteld aan de hand van identificerende documenten, afgegeven door de Eritrese autoriteiten.

5.1.

De minister heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eiser onvoldoende inspanningen heeft verricht om andere identificerende documenten te overleggen, te meer nu eiser heeft verklaard dat zijn ouders en andere familieleden nog altijd woonachtig zijn in Eritrea. De rechtbank stelt voorop dat eiser zijn stelling, dat hij via zijn familieleden geen overige identificerende documenten kan aanvragen, niet nader heeft onderbouwd. Evenmin is onderbouwd dat eiser enige inspanningen heeft verricht door middel van telefonisch contact met familie in Eritrea over deze documenten. De rechtbank acht verder van belang dat de gemachtigde van eiser desgevraagd op zitting heeft aangegeven dat onduidelijk is of eiser een geboorteakte kan aanleveren, maar dat deze niet in alle gevallen beschikbaar is. Eiser komt immers van het platteland. De minister heeft in deze enkele verklaring geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat eiser niet over identificerende documenten kan beschikken. De minister heeft in de verklaringen van referent evenmin aanleiding voor een ander oordeel hoeven zien, nu van eiser mag worden verwacht dat hij inspanningen verricht om identificerende documenten te overleggen.

Heeft de minister ten onrechte geen hechte persoonlijke banden aangenomen tussen eiser en referent?

6. Eiser stelt dat sprake is van zeer hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent. Ze zijn allebei opgegroeid in hetzelfde gezin en gevlucht uit Eritrea. Sinds eiser in Ethiopië is, voelt referent zich nog meer verantwoordelijk voor eiser. Referent steunt eiser praktisch, emotioneel en financieel, zodat eiser zich in Ethiopië staande kan houden. Dit overstijgt hetgeen normaal is tussen broers. Zij hebben veelvuldig contact en zonder de hulp en steun van referent kan eiser zich niet staande houden. De minister gaat ten onrechte voorbij aan het dagelijkse intensieve en persoonlijke contact. De minister heeft verder onvoldoende rekening gehouden met de precaire situatie van eiser in Ethiopië. Eiser is minderjarig en is in Ethiopië ook niet veilig, gelet op de oorlogen en binnenlandse situatie.

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft aangenomen dat er geen hechte persoonlijke banden zijn tussen eiser en referent. De rechtbank overweegt hiertoe dat het uitgangspunt is dat familie- en gezinsleven kan worden aangenomen wanneer tussen een minderjarige en zijn meerderjarige broer sprake is van hechte persoonlijke banden. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerde waarom in dit geval geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en eiser. De verklaringen van referent over de omvang van het gezin heeft de minister in dat kader onvoldoende mogen vinden. Dat referent en eiser tot aan het vertrek van referent samen hebben gewoond, maakt niet dat daarmee sprake is van hechte persoonlijke banden die de gebruikelijke banden tussen broers overstijgen. De minister heeft in dit kader kunnen betrekken dat niet is gebleken dat referent, in de tijd dat hij met eiser woonde, een rol heeft gespeeld in de verzorging en opvoeding van eiser. Hiervan is evenmin gebleken sinds eiser in Ethiopië verblijft. De minister heeft daarbij van belang mogen vinden dat referent heeft verklaard dat eiser alleen woont, alles zelf doet en af en toe hulp van de buren krijgt. Door referent is verder niet onderbouwd dat hij sinds 2020 de kosten voor levensonderhoud van eiser betaald. De minister heeft verder kunnen betrekken dat het dagelijkse telefonische contact en de emotionele steun onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd. De minister heeft tot slot terecht overwogen dat de omstandigheden waarin eiser in Ethiopië verblijft asielgerelateerde aspecten zijn en dat eiser niet nader heeft onderbouwd op welke wijze deze omstandigheden verband houden met het uitoefenen van het familie- of gezinsleven, zodat de minister hierin geen aanleiding voor een ander oordeel heeft hoeven zien.

7.1.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister geen DNA-onderzoek heeft hoeven aanbieden. Nu eiser zijn identiteit onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent en daarmee geen sprake van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM, was de minister niet gehouden DNA-onderzoek aan te bieden om de familierechtelijke relatie aan te tonen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.