Vreemdelingenrecht

Beroep: Asielaanvraag – Asiel- en migratiebeheerverordening – Frankrijk - beroep kennelijk ongegrond

Rechtbank Den Haag, 14 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 14 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
14 augustus 2026
Datum publicatie
17 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.43233
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23105
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep: Asielaanvraag – Asiel- en migratiebeheerverordening – Frankrijk - beroep kennelijk ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.43233


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 27 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2001 en heeft de Libische nationaliteit. Hij heeft op 23 april 2026 asiel aangevraagd in Nederland.

2. Uit EU-Vis is gebleken dat eiser van de Franse autoriteiten een visum heeft gekregen, dat geldig was van 13 april 2026 tot en met 13 mei 2026. Verweerder heeft daarom de Franse autoriteiten gevraagd om eiser over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Op 19 juli 2026 is Frankrijk verantwoordelijk geworden voor de asielaanvraag van eiser, omdat zij niet tijdig hebben gereageerd op het verzoek. Op 20 juli 2026 heeft Frankrijk alsnog de verantwoordelijkheid bevestigd. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) zoals die luidt met ingang van 12 juni 2026, omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is.

3. Eiser voert aan dat in Frankrijk een ernstig tekort aan opvang is, waardoor er een groot risico bestaat dat hij op straat moet leven. Eiser heeft dan niet de beschikking over elementaire voorzieningen zoals voeding en sanitaire faciliteiten. Daarnaast wijst eiser op de traagheid van de asielprocedures in Frankrijk, de taalbarrière en het ontbreken van adequate juridische en/of medische bijstand, waardoor effectieve bescherming onder druk staat.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Per 12 juni 2026 zijn de Asielprocedureverordening en de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv) in werking getreden. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, zoals die bepaling sindsdien luidt, neemt verweerder een asielaanvraag overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening niet in behandeling wanneer op grond van de Ambv is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

5. In artikel 43, eerste lid, van de Ambv is de draagwijdte van dit beroep bepaald. Een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is één van de aspecten waarop het beroep betrekking kan hebben.

6. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo geoordeeld dat van een dergelijk risico sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan.

7. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit bij overdracht aan Frankrijk het geval zal zijn. Daarbij is van belang dat het uitgangspunt is dat ten aanzien van Frankrijk uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder mag er daarom van uitgaan dat Frankijk eisers asielaanvraag zorgvuldig en volgens de daarvoor geldende Europese regels zal behandelen. Eiser heeft geen onderbouwing geleverd voor zijn stellingen dat een groot risico bestaat dat hij in Frankijk op straat moet leven en verstoken zal zijn van elementaire voorzieningen. Dit is dan ook niet aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van eisers stelling dat medische bijstand ontbreekt in Frankrijk, wordt overwogen dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij medische hulp nodig heeft en dat Frankrijk niet beschikt over de voor hem noodzakelijke medische voorzieningen.

8. Voor zover eiser heeft gewezen op de traagheid van de asielprocedure, de taalbarrière en de juridische bijstand geldt dat dit niet binnen de draagwijdte valt van het rechtsmiddel van beroep zoals in artikel 43, eerste lid, van de Ambv is vastgelegd.

9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit van 27 juli 2026 in stand blijft.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 14 augustus 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.