Vreemdelingenrecht
Bewaring; artikel 59b, eerste lid, onder a en b; gronden niet betwist; geen lichter middel; verwijzing naar…
Rechtbank Den Haag, 23 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:23357 · Rechtbank Den Haag · 23 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-23357
Zaakgegevens
Op 23 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Datum publicatie
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.31743
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23357
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring; artikel 59b, eerste lid, onder a en b; gronden niet betwist; geen lichter middel; verwijzing naar het arrest Adrar slaagt niet; ambtshalve toets maakt het oordeel niet anders; beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31743
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L.F. Ludwig).
Procesverloop
Bij besluit van 7 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D.P. Navarrete via telefonische verbinding. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Peruaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1979.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert hiertegen aan dat de maatregel niet rechtmatig is, omdat verweerder onvoldoende heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich tegen zijn verwijdering verzet. De conclusie van verweerder dat hetgeen eiser heeft verklaard daartoe niet voldoende is, is namelijk niet onderbouwd en vindt geen grond in het dossier.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die verweerder aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, niet heeft bestreden. Naar oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu eiser hiertegen geen beroepsgronden heeft gericht en deze voldoende zijn om ten aanzien van eiser het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen.
De rechtbank stelt daarnaast vast dat eiser ook niet heeft aangevoerd dat verweerder een lichter middel toe had moeten passen. Naar oordeel van de rechtbank en wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast.
Voor wat betreft eisers verwijzing naar het arrest Adrar van het Hof, heeft verweerder ter zitting terecht betoogd dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is bij de inbewaringstelling op grond van artikel 59b van de Vw. Verweerder moet nog beslissen op de asielaanvraag van eiser waarin ook op artikel 3 van het EVRM zal worden getoetst en van een terugkeerprocedure is (nog) geen sprake. Het arrest Adrar is daarom niet van toepassing. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet. Dat verweerder het refoulementrisico, dan wel het gebrek daaraan, wel in de maatregel heeft benoemd is volgens hem ten overvloede geweest. In de omstandigheid dat eiser eerder al een terugkeerbesluit is opgelegd ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Verweerder heeft er namelijk terecht op gewezen dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft gedaan en dat de huidige situatie niet wijzigt zolang die procedure nog loopt en de grondslag van de bewaring nog geldt.
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest of op dit moment onrechtmatig voortduurt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom ook afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.