Vreemdelingenrecht

Vovo, beroep aangehouden in verband met BMA-onderzoek, voorziening toegewezen.

Rechtbank Den Haag, 4 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 4 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
4 augustus 2026
Datum publicatie
24 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.26569
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23862
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo, beroep aangehouden in verband met BMA-onderzoek, voorziening toegewezen.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.26569

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. G.E. Jans),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A. Sloots).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening, samen met het beroep tegen het bestreden besluit (zaaknummer NL26.26568), op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E.S. Madran. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het beroep tegen het bestreden besluit is geschorst op de zitting. Het onderzoek in de voorlopige voorzieningenprocedure is op de zitting gesloten.

Overwegingen

  1. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. De Dublinverordening stelt een termijn van zes maanden na het claimakkoord waarbinnen moet worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat (artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening). Het claimakkoord is van 12 februari 2026. De uiterste overdrachtsdatum voor verzoeker is 12 augustus 2026.

  2. Dit verzoek en het samenhangende beroep zijn behandeld op de zitting

van 30 juli 2026. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting geschorst om

verweerder in de gelegenheid te stellen een BMA-onderzoek te (laten) verrichten. Verweerder heeft op zitting laten weten hiervoor aanleiding te zien in het rapport van 24 juli 2026 van de psycholoog, dat eiser in beroep heeft ingediend. Het BMA-onderzoek zal volgens verweerder 4 tot 6 weken zal vergen. Verweerder heeft zich daarom niet verzet tegen het toewijzen van eisers verzoek om een voorlopige voorziening.

3. Omdat het BMA-onderzoek en (zo nodig) de behandeling van het beroep op een nadere zitting niet plaats zal kunnen vinden vóór het verstrijken van de overdrachtstermijn, en omdat verweerder zich hiertegen niet verzet, zal de voorzieningenrechter verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen. Als de voorzieningenrechter dat niet zou doen, zou het beroep van verzoeker niet binnen de overdrachtstermijn van zes maanden kunnen worden behandeld.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.

5. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934,-, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,-, en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië totdat is beslist op het beroep;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

F.S. Ulrich, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

04 augustus 2026

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: 025-544-610-250

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.