Vreemdelingenrecht

PKV; BNT; kennisgeving leeftijd; geen proecsbelang; beroep niet-ontvankelijk; premature ingebrekestelling…

Rechtbank Den Haag, 21 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 21 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
21 augustus 2026
Datum publicatie
27 augustus 2026
Zaaknummer
NL24.20665
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:24321
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

PKV; BNT; kennisgeving leeftijd; geen proecsbelang; beroep niet-ontvankelijk; premature ingebrekestelling; geen tegemoetkomen; PKV afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.20665


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2026 in de zaak tussen


[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 9 april 2024 om een tussentijdse herbeoordeling van zijn leeftijd, nadat hij als meerderjarig is geregistreerd.

1.1.

De minister heeft eisers leeftijd opnieuw beoordeeld en bij kennisgeving van 18 september 2024 aangepast, waardoor hij opnieuw als minderjarige de asielprocedure doorloopt.

1.2.

Naar aanleiding hiervan heeft eiser aangegeven zijn beroep te handhaven, waarbij hij de rechtbank heeft verzocht de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. De minister heeft de rechtbank meegedeeld geen aanleiding te zien voor een veroordeling in de proceskosten. Eiser heeft hier een reactie op gegeven.

1.3.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep van eiser ontvankelijk?

2. Omdat de minister eisers leeftijd alsnog opnieuw heeft beoordeeld en bij kennisgeving van 18 september 2024 zijn leeftijdsregistratie naar minderjarig heeft aangepast, heeft eiser geen procesbelang meer. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser?

3. De bestuursrechter kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit kan ook als het beroep niet-ontvankelijk is.

4. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, omdat de ingebrekestelling van 25 april 2024 prematuur is ingediend. Omdat het om het opnieuw beoordelen van eisers leeftijd gaat, gold een redelijke beslistermijn van acht weken. Eiser heeft op 9 april 2024 om een herbeoordeling van zijn leeftijd verzocht, zodat de beslistermijn pas op 3 juni 2024 is geëindigd. De ingebrekestelling van 25 april 2024 is daarom prematuur. Nu er geen geldige ingebrekestelling aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen ten grondslag ligt, kan niet van tegemoetkoming in de zin van art. 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht worden gesproken. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de onterechte registratie als meerderjarige impact op eiser heeft gehad, is de omstandigheid dat de minister daarmee mogelijk onrechtmatig heeft gehandeld een kwestie die niet in deze procedure voorligt, en dus niet aan het voorgaande af kan doen. Zoals de gemachtigde van eiser in haar reactie van 28 februari 2026 aangeeft, kan zij hiervoor een schadevergoedingsverzoek bij de minister indienen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Dit volgt uit artikel 8:75 van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). ECLI:NL:RVS:2024:5256.