Vreemdelingenrecht
vreemdelingenbewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting, voortvarend handelen, ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 28 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:25344 · Rechtbank Den Haag · 28 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-25344
Zaakgegevens
Op 28 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 28 augustus 2026
- Datum publicatie
- 3 september 2026
- Zaaknummer
- NL26.48578
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25344
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
vreemdelingenbewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting, voortvarend handelen, ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48578
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 12 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank op 24 augustus 2026 in kennis gesteld van de voortduring van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving geldt als een beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 26 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al meerdere keren heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 juni 2026 (in de zaak NL26.31333) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 11 juni 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 11 juni 2026.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn meer bestaat. Weliswaar hebben de Marokkaanse autoriteiten toegezegd een laissez-passer (lp) te zullen afgegeven, maar dat zal pas gebeuren in september als de consul terug is van vakantie. Het is dus feitelijk wachten op de terugkeer van de consul, terwijl de maatregel van bewaring inmiddels al bijna zes maanden duurt. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat uitzetting binnen een redelijke termijn zal plaatsvinden, aldus eiser.
Uit de door verweerder overgelegde voortgangsrapportage volgt dat de Marokkaanse autoriteiten eisers nationaliteit hebben bevestigd en op 5 augustus 2026 aan de Directie Internationale Aangelegenheden (DIA) hebben toegezegd dat er een lp zal worden afgegeven in september 2026, als de consul terug is van vakantie. Gelet op deze omstandigheden, waaruit blijkt dat de afgifte van een lp in het verschiet ligt, is de rechtbank van oordeel dat er voor eiser zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko bestaat. Dat de lp-afgifte pas in september 2026 kan plaatsvinden omdat de Marokkaanse consul dan pas weer aanwezig is, is weliswaar niet ideaal, maar leidt niet tot een ander oordeel, aangezien de rechtbank deze termijn niet onredelijk lang vindt.
Gelet op het voorgaande slaagt de onder 3. weergegeven beroepsgrond niet.
Voortvarend handelen
4. Eiser voert verder aan dat verweerder niet voldoende voortvarend (heeft ge)werkt aan eisers uitzetting.
Uit de door verweerder overgelegde voortgangsrapportage volgt dat verweerder, in de te toetsen periode, op 18 juni 2026, 20 juli 2026 en 17 augustus 2026 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en op 26 juni 2026, 16 juli 2026 en 20 augustus 2026 bij de Marokkaanse autoriteiten heeft gerappelleerd in verband met de lopende lp-aanvraag. Tevens is de DIA op 5 augustus 2026 op bezoek geweest bij het Marokkaanse consulaat, bij welke gelegenheid het consulaat heeft toegezegd een lp te zullen afgeven in september 2026. Gelet op deze handelingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de te toetsen periode voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting naar Marokko. Voor de afronding van het uitzettingstraject is verweerder nu in grote mate afhankelijk van de afgifte van de lp door de Marokkaanse autoriteiten, welke afgifte dus is toegezegd voor september 2026.
Gelet op het voorgaande slaagt de onder 4. weergegeven beroepsgrond evenmin.
Slotsom beroepsgronden
5. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Ambtshalve toetsing
6. Ook los van de aangevoerde beroepsgronden ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest (vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, Adrar).
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.