Vreemdelingenrecht

Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat eiser de behandeling van zijn beroep…

Rechtbank Den Haag, 14 september 2026

Zaakgegevens

Op 14 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
14 september 2026
Datum publicatie
15 september 2026
Zaaknummer
NL25.49294
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:26820
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat eiser de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, omdat de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit heeft vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49294


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Procesverloop

1. Bij besluit van 9 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond.

1.1.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit op 9 oktober 2025 beroep ingesteld (NL25.49293). Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek tezamen met het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Daarnaast is ook mevrouw H.M. Kramer van Vluchtelingenwerk Nederland ter zitting verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.49293, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

2.1

Nu het beroep gegrond is verklaard, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €934,- (één punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, met een waarde van €934,- per punt).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van €934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.E.M. Pot, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.