Vreemdelingenrecht

machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van…

Rechtbank Den Haag, 16 september 2026

Zaakgegevens

Op 16 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
16 september 2026
Datum publicatie
25 september 2026
Zaaknummer
NL25.1972
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:28198
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van het EVRM; bijkomende elementen van afhankelijkheid; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.1972


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [x] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.W. Beemers),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar zoon [persoon] (referent) op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat tussen eiseres en de referent geen sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat er tussen hen geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Referent heeft op 4 maart 2022 een aanvraag om een mvv ingediend voor eiseres. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op 25 april 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

3. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat volgens hem niet voldaan is aan de voorwaarden voor een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister stelt zich namelijk op het standpunt dat tussen eiseres en referent geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat referent niet voldoet aan de voorwaarden uit het jongvolwassenenbeleid en tussen eiseres en referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan.

Heeft de minister ten onrechte geconcludeerd dat tussen referent en eiseres geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan?

4. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tussen haar en referent geen familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat. Volgens haar zijn er wel bijkomende elementen van afhankelijkheid en is daarom sprake van familie- en gezinsleven.

Samenwoning

5. Eiseres betoogt dat zij weliswaar niet meer met referent samenwoont, maar dat de minister niet heeft onderkend dat dit geen vrijwillige keuze is geweest. Referent heeft in het buitenland gestudeerd. Dit was in eerste instantie tijdelijk, maar na zijn studie kon referent niet terug vanwege de oorlog in Jemen. Referent heeft eiseres hierna – ondanks dat hij hierdoor een risico liep – nog wel enkele keren bezocht in Jemen en dat bevestigt volgens eiseres juist dat zij en referent een bijzondere band hebben. Verder wijst eiseres erop dat de minister niet bij de besluitvorming mocht betrekken dat het feit dat referent tot zijn twintigste levensjaar heeft samengewoond met eiseres gangbaar is (waardoor niet gesproken kan worden van bijzondere afhankelijkheid) en dat uit het feit dat eiseres van 2013 tot 2020 als lerares heeft gewerkt zelfstandigheid blijkt. Deze omstandigheden zijn ten opzichte van het besluit van 26 juni 2023 nieuw en hierover zijn tijdens de hoorzitting in bezwaar geen vragen gesteld. Eiseres wijst tot slot op de brief van 5 mei 2023, waarin referent de bijzondere band tussen eiseres en referent beschrijft.

5.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat uit het enkele feit dat eiseres en referent tot 2013 hebben samengewoond, niet blijkt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Referent is in 2013 vanuit Jemen verhuisd naar Maleisië om te gaan studeren. Dit vertrek was vrijwillig. In de periode van 2013 tot 2015 heeft referent eiseres vervolgens twee keer bezocht. Hieruit heeft de minister mogen afleiden dat referent en eiseres hun samenwoning in 2013 op vrijwillige basis hebben beëindigd, zodat deze samenwoning in het verleden onvoldoende grond oplevert om nu bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. Dat referent uiteindelijk vanwege de oorlog in Jemen niet heeft kunnen terugkeren naar eiseres, kan hieraan niet afdoen. Dat neemt namelijk niet weg dat eiseres en referent hun samenwoning daarvóór al vrijwillig hadden beëindigd. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat de minister niet in het bestreden besluit mocht betrekken dat het voor een jongvolwassene gebruikelijk is om tot het twintigste levensjaar samen te wonen met één van de ouders en dat eiseres als lerares heeft gewerkt. In de bezwaarfase vindt een volledige heroverweging van het besluit plaats. Dit heeft tot gevolg dat de minister de motivering van het primair besluit in de bezwaarfase mag aanvullen. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar betoog dat de minister haar hierover vooraf, tijdens het gehoor, had moeten bevragen alvorens dit aan de beslissing op bezwaar ten grondslag te leggen. Er bestaat namelijk geen rechtsregel op grond waarvan de minister verplicht is om de vreemdeling vooraf te horen over nieuwe tegenwerpingen in een beslissing op bezwaar. De brief van 5 mei 2023 geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat in deze brief geen bijzondere omstandigheden staan over de beëindiging van de samenwoning.

Financiële afhankelijkheid

6. Eiseres betoogt dat tussen haar en referent sprake is van financiële afhankelijkheid. Referent steunde eiseres financieel als hij daar de middelen voor had. Referent maakte dit geld dan over via Western Union. Dat hiervan geen bewijzen zijn, betekent niet dat dit niet geloofwaardig zou zijn. Bovendien werpt de minister ten onrechte tegen dat sprake dient te zijn van een exclusieve financiële afhankelijkheid.

6.1.

De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat op financieel gebied sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank stelt voorop dat geen enkel bewijsstuk is overgelegd ter onderbouwing van de gestelde financiële afhankelijkheid. Eiser heeft daarnaast verklaard af en toe geld over te maken als dit noodzakelijk was, maar heeft niet geconcretiseerd hoe vaak dit gebeurde en om welke bedragen dit ging. Ook heeft referent verklaard sinds 5 april 2021 geen geld meer overgemaakt te hebben, dat eiseres leeft van haar pensioen, dat eiseres (financiële) hulp krijgt van één van haar zussen en dat eiseres wordt ondersteund door een vereniging voor oudere vrouwen. Onder deze omstandigheden heeft de minister terecht geen aanleiding gezien voor de conclusie dat sprake zou zijn van financiële afhankelijkheid. Eiser wijst er verder terecht op dat exclusiviteit geen noodzakelijke voorwaarde is, maar dat laat onverlet dat de minister de vraag of eiseres exclusief afhankelijk is van referent wel in zijn beoordeling mag betrekken en daar gewicht aan mag toekennen. Zodoende heeft de minister daarom gewicht mogen toekennen aan het feit dat eiseres ook hulp krijgt van anderen in Jemen dan van referent.

Medische situatie

7. Eiseres betoogt dat er tussen haar en referent sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid vanwege haar medische situatie. In de eerste plaats heeft de minister ten onrechte geen zelfstandige betekenis toegekend aan de medische situatie van eiseres, terwijl dit op grond van IND-Informatiebericht 2024/57 wel zou moeten. Eiseres moet geopereerd worden, maar de vereiste nabehandeling is vanwege het verbod op jodiumtabletten (dat samenhangt met de oorlogssituatie in Jemen) niet mogelijk. De minister heeft het standpunt ingenomen dat in Jemen alternatieve (na)behandelingsmogelijkheden zijn, maar dat standpunt niet onderbouwd. Verder hecht de minister ten onrechte waarde aan het feit dat eiseres in Jemen een lokaal netwerk heeft. Doordat er geen (na)behandelmogelijkheden zijn, kan eiseres ook door haar lokale netwerk niet geholpen worden, omdat ook zij tegen het probleem van de ontbrekende nabehandelingsmogelijkheden aanlopen. Daar komt nog bij dat het erop lijkt dat de minister met die tegenwerping als vereiste hanteert dat eiseres exclusief van referent afhankelijk moet zijn, wat niet mag worden verlangd. De minister heeft tot slot het schriftelijke bewijs dat referent het contact onderhoudt met de arts van eiseres niet kenbaar in de besluitvorming betrokken, terwijl dit een duidelijke indicatie is dat sprake is van medische afhankelijkheid.

7.1.

De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat tussen eiseres en referent op medisch gebied geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit verklaringen blijkt weliswaar dat eiseres gezondheidsproblemen heeft, maar ook dat zij hiervoor hulp krijgt van de lokale gemeenschap en van familieleden. Verder blijkt uit de verklaringen dat eiseres zichzelf goed kan redden, ook al is zij slecht ter been en kan zij niet goed zien. Uit de hiervoor genoemde verklaringen kan worden geconcludeerd dat eiseres op het gebied van verzorging en praktische hulp niet van referent afhankelijk is. Daarnaast wijst de minister er terecht op dat de praktische hulp die eiser biedt, zoals het contact met de arts, het zorgen voor spullen van de markt en het regelen van vervoer naar de arts, geen hulp is die de normale banden tussen een moeder en haar meerderjarige zoon overstijgt en dat deze hulp – net zoals nu – op afstand kan worden geboden. Het enkele feit dat in Jemen geen nabehandeling mogelijk zou zijn, betekent evenmin dat er tussen eiseres en referent hierdoor bijzondere elementen van afhankelijkheid bestaan. Hoe vervelend het ontbreken van nabehandelingsmogelijkheden ook is, zegt dat namelijk niets over de mate van afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Tot slot wijst eiseres er op zichzelf genomen terecht op dat exclusiviteit geen noodzakelijke voorwaarde voor bijkomende elementen van afhankelijkheid is en hieraan geen doorslaggevend belang mag worden gehecht, maar dat laat onverlet dat de minister – zoals de rechtbank hiervoor ook heeft overwogen – dat wel in de besluitvorming mag betrekken en (zwaar) gewicht mag toekennen aan het feit dat eiseres (ook) hulp krijgt van anderen dan van referent.

Emotionele afhankelijkheid

8. Eiseres betoogt dat er tussen haar en referent sprake is van emotionele afhankelijkheid. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat het feit dat referent zich verantwoordelijk voelt voor het welzijn en de veiligheid van eiseres niet leidt tot het overstijgen van de normale emotionele band tussen ouder en kind. Ter onderbouwing wijst eiseres nogmaals op de brief van referent van 5 mei 2023.

8.1.

De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken van emotionele afhankelijkheid. Tijdens het gehoor heeft referent verklaard eiseres nodig te hebben om het gevoel van familie te hebben en van haar afhankelijk te zijn voor beslissingen en advies. Ook verklaart referent dat eiseres hem een gevoel geeft van rust en stabiliteit. Verder verklaart referent dat het fijn zou zijn om eiseres in Nederland te hebben, zodat hij zich geen zorgen maakt. De minister stelt echter terecht dat uit deze verklaringen niet blijkt van een band tussen eiseres en referent die de normale band tussen een ouder en een meerderjarig kind overstijgt, zodat hieruit geen emotionele afhankelijkheid voortvloeit. De brief waar eiser naar verwijst bevat geen bijzondere omstandigheden, waarin de rechtbank aanleiding ziet voor een ander oordeel.

Band met het land van herkomst

9. Eiseres betoogt tot slot dat het enkele feit dat zij contacten heeft in Jemen, geen afbreuk doet aan de bijzondere afhankelijkheid die zij van referent heeft. In dit kader is van belang dat referent vanuit Nederland de contacten met de artsen van eiseres regelt.

9.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft terecht aan eiseres tegengeworpen dat eiseres banden heeft met Jemen en dat deze sterker zijn dan haar banden met Nederland. Eiseres ontvangt in Jemen medische zorg en heeft daar een lokaal netwerk. De zussen, de andere zoon van eiseres en een vereniging van oudere vrouwen bieden haar hulp. Ook is eiseres bekend met de voorzieningen in Jemen en heeft zij toegang tot deze voorzieningen. Daarnaast heeft eiseres heel haar leven in Jemen gewoond. De enige band die eiseres met Nederland heeft, is dat referent hier woont. De enkele omstandigheid dat referent het contact met de arts regelt, maakt dit niet anders, nu referent dit – zoals eerder is geoordeeld – op afstand kan blijven doen en het geen aanknopingspunt biedt om aan te nemen dat eiseres hierdoor een band met Nederland heeft.

Conclusie

10. De rechtbank is van oordeel dat de minister – alle elementen van afhankelijkheid in onderlinge samenhang bezien – terecht heeft geconcludeerd dat tussen eiseres en de referent geen sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM, doordat er tussen hen geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Dit volgt uit artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Pagina 6 van het gehoor. Pagina 7 van het gehoor. Pagina 4 en 5 van het nader gehoor. Pagina 5 van het gehoor. ABRvS 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003. Pagina 8 van het gehoor. Pagina 8 van het gehoor. Pagina 8 van het gehoor.