Vreemdelingenrecht

PKV-uitspraak; besluit ingetrokken voorafgaand aan de zitting en intrekking beroep; verzoek om toekenning van…

Rechtbank Den Haag, 29 september 2026

Zaakgegevens

Op 29 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
29 september 2026
Datum publicatie
28 september 2026
Zaaknummer
NL26.21169
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:28608
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

PKV-uitspraak; besluit ingetrokken voorafgaand aan de zitting en intrekking beroep; verzoek om toekenning van een hoger bedrag dan wel een bedrag alsof de zitting zou hebben plaatsgevonden vanwege aanvullende werkzaamheden en indiening meerdere stukken; hier kan geen afzonderlijk procespunt voor worden toegekend op grond van Bpb; PKV bedraagt € 934,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.21169


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen


[verzoekster] , v-nummer: [x] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E.A. Welling),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van de minister van 7 april 2026. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat de minister op 31 augustus 2026 dit besluit heeft ingetrokken.

1.1.

De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft hierop niet gereageerd.

1.2.

De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?

3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.

Is de minister aan verzoekster tegemoetgekomen?

4. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.

4.1.

Op 14 april 2026 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het besluit 7 april 2026 waarin haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft op 31 augustus 2026 dit besluit ingetrokken en is in die zin tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. De minister heeft in het intrekkingsbesluit aangegeven bereid te zijn om de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van € 934,- euro.

Welk bedrag aan proceskosten moet de minister aan verzoekster vergoeden?

5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend (met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Anders dan de gemachtigde van verzoekster stelt, bestaat geen aanleiding voor een toekenning van een hoger bedrag, dan wel toekenning van een bedrag alsof de zitting zou hebben plaatsgevonden. De enkele omstandigheid dat de gemachtigde van verzoekster na het indienen van het beroepschrift nog aanvullende werkzaamheden heeft verricht en meerdere malen stukken heeft ingediend, geeft geen aanleiding voor een verdergaande proceskostenveroordeling. Deze werkzaamheden kunnen niet worden aangemerkt als afzonderlijke proceshandelingen waarvoor op grond van het Bpb een afzonderlijk procespunt wordt toegekend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de zaak is beëindigd voordat een zitting heeft plaatsgevonden en dat de gemachtigde van verzoekster zowel door de minister als door de rechtbank telefonisch op de hoogte is gesteld van de intrekking van het bestreden besluit. Dat het intrekken van het besluit mogelijk eerder had gekund maakt het voorgaande, hoe vervelend ook, niet anders.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).