Vreemdelingenrecht

AMB-verordening Duitsland, MOB, geen contact, niet-ontvankelijk

Rechtbank Den Haag, 29 september 2026

Zaakgegevens

Op 29 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
29 september 2026
Datum publicatie
28 september 2026
Zaaknummer
NL26.35104
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:28628
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

AMB-verordening Duitsland, MOB, geen contact, niet-ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.35104


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen


[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De minister heeft de rechtbank op 5 augustus 2026 laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

1.2.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem of haar gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag in beginsel ervan uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft.

3. De minister heeft de rechtbank op 5 augustus 2026 bericht dat eiser de opvang heeft verlaten en op 29 juli 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Ook is het de minister niet gebleken dat eiser zich nadien weer heeft gemeld bij de IND, COa, AVIM of DTenV.

3.1.

De gemachtigde van eiser heeft op 21 september 2026 aan de rechtbank laten weten dat hij geen contact meer heeft met eiser.

3.1.

Uit de omstandigheid dat eiser volgens informatie van het COa met onbekende bestemming is vertrokken, zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft en dat hij, zoals volgt uit het bericht van gemachtigde, geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde, leidt de rechtbank af dat hij niet langer bescherming in Nederland zoekt. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om anders te oordelen. Daarom heeft eiser geen belang meer bij de beoordeling van het beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

De minister had in eerste instantie bij besluit van 18 juni 2026 besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Bij besluit van 2 juli 2026 heeft de minister dit besluit echter vervangen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662. Zie ABRvS 9 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3636.