Vreemdelingenrecht

Verblijfsaanvraag Algerijnse vader bij Nederlandse dochter – Mvv-vrijstelling op grond van artikel 8 EVRM?…

Rechtbank Den Haag, 7 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Datum publicatie
7 oktober 2026
Zaaknummer
NL24.36648
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:29522
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verblijfsaanvraag Algerijnse vader bij Nederlandse dochter – Mvv-vrijstelling op grond van artikel 8 EVRM? Geen bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden tussen een vader en een meerderjarige dochter overstijgen – Geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.36648


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Wezenbeek).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ afgewezen.

Bij besluit van 13 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam dochter] (dochter van eiser; hierna ook: referente), mr. Ben Ahmed, als waarneemster van eisers gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Algerijnse nationaliteit. Hij is de vader van referente. Referente is geboren op 23 juli 2000 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Op 1 mei 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referente’. Verweerder heeft deze aanvraag bij het primaire besluit afgewezen.

Het bestreden besluit

2. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, houdt – samengevat weergegeven – het volgende in. Eiser komt niet in aanmerking voor de gevraagde verblijfsvergunning, omdat hij niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking komt voor vrijstelling daarvan. Met betrekking tot dit laatste stelt verweerder meer specifiek het volgende. De medische situatie van eiser levert geen grond op voor vrijstelling van het mvv-vereiste. De uitzetting van eiser is volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zodat er ook op deze grond geen vrijstelling plaatsvindt. Er is namelijk geen sprake van beschermenswaardig familieleven tussen eiser en referente, omdat er tussen hen geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Wel is er sprake van beschermenswaardig privéleven, maar de belangenafweging op dit punt valt in het nadeel van eiser uit. Tot slot bestaat er volgens verweerder ook geen aanleiding om eiser op grond van de hardheidsclausule vrij te stellen van het mvv-vereiste.

De beroepsgronden

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartegen – samengevat weergegeven – het volgende aan. Er bestaat tussen hem en referente wel degelijk beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiser en referente zijn financieel afhankelijk van elkaar en voeren een gezamenlijke huishouding. Zij hebben steeds bevestigd dat zij samenwonen. Zij kunnen niet zonder elkaar. Waar de meeste meerderjarige dochters steeds meer stappen naar zelfstandigheid zetten, doet referente er alles aan om samen met eiser te zijn. Het leven van referente staat stil zolang de onzekerheid over het verblijfsrecht van eiser voortduurt. Uit de patiëntenkaart van referente volgt dat zij veel stress heeft van de gehele situatie. Verder geldt dat de band van eiser met Algerije minder sterk is dan die met Nederland. Met de familie die in Algerije woont heeft hij weinig contact, terwijl hij in Nederland zijn dochter (referente) heeft en ook vrienden en collega’s. Ook spreekt eiser Nederlands en kan hij zich zelfstandig staande houden in de Nederlandse maatschappij. Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule.

Het oordeel van de rechtbank

Mvv-vrijstelling op grond van artikel 8 van het EVRM?

4.1.

Een vreemdeling wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste als zijn uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. Dit volgt uit artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb. In geschil is of uitzetting van eiser in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

4.2.

Tussen partijen staat ter discussie of er sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en referente. De rechtbank stelt vast dat eiser in dit verband niet verweerders standpunt bestrijdt dat referente niet voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid (ten tijde van het bestreden besluit neergelegd in paragraaf B7/3.8.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000). Wel bestrijdt eiser het standpunt van verweerder dat er tussen hem en referente geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Volgens eiser is referente meer dan gebruikelijk afhankelijk van hem en heeft zij zijn aanwezigheid nodig om te kunnen functioneren.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraken niet langer spreekt van ‘een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’ (of ‘more than the normal emotional ties’), maar van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’. Dat zal de rechtbank in het vervolg van deze uitspraak ook doen.

4.4.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, overwogen dat tussen meerderjarigen buiten het kerngezin sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM als er tussen hen ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Het gaat er daarbij vooral om of er sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ zouden kunnen blijken. Verweerder moet bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Naast de vraag of een vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van een referent (of andersom), moeten ook elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de banden met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond, voor zover deze elementen zijn aangevoerd, in de beoordeling een rol spelen. Deze beoordeling is van feitelijke aard, aldus de Afdeling in voormelde uitspraak.

4.5.

Verweerder heeft alle hiervoor vermelde elementen, voor zover aangevoerd, kenbaar betrokken bij zijn beoordeling of er sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ tussen eiser en referente. Over de beoordeling en weging door verweerder van die betrokken elementen – te weten: samenwoning, financiële afhankelijkheid, de gezondheid en zorgafhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid en de banden met het land van herkomst – overweegt de rechtbank als volgt.

4.5.1.

Voor het element ‘samenwoning’ geldt het volgende. Eiser stelt dat hij sinds zijn terugkeer naar Nederland in 2017 structureel met referente heeft samengewoond. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit terecht niet heeft gevolgd. Zij wijst in dit verband in de eerste plaats op de in rechte vaststaande uitspraak van deze zittingsplaats van 26 juli 2023, AWB 23/451, waarin is overwogen dat eiser sinds 2011 niet meer met referente heeft samengewoond en dat referente in die periode voornamelijk (eerst) met haar grootouders en (later) met haar vriend heeft samengewoond. De rechtbank ziet geen aanleiding om over die periode thans anders te oordelen dan in voormelde uitspraak is gedaan. In deze procedure heeft eiser gesteld dat er in ieder geval sinds augustus/september 2023 wel weer sprake is van samenwoning; volgens eiser is in die periode de relatie tussen referente en haar vriend verbroken en heeft referente een eigen woning gekregen, in welke woning eiser inwoont. Verweerder stelt naar het oordeel van de rechtbank echter terecht dat eiser ook deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft namelijk niet voldoende met stukken onderbouwd dat hij sinds augustus/september 2023, anders dan voorheen, wel doordeweeks én ieder weekend bij referente verblijft. De overgelegde afwijzing van een brp-inschrijving, bewijzen van enkele reisbewegingen en foto’s van een aantal pakketjes op naam van eiser zijn hiertoe ontoereikend, omdat hieruit niet blijkt dat eiser feitelijk het grootste deel van zijn tijd bij referente verblijft.

Gelet op het vorenstaande, waaruit volgt dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser en referente sinds augustus/september 2023 samenwonen terwijl wel is gebleken dat zij in de periode van 2011 tot augustus/september 2023 niet hebben samengewoond, heeft verweerder terecht gesteld dat er sprake is (geweest) van een lange periode van niet-samenwonen. Verweerder heeft dit niet ten onrechte in het nadeel van eiser gewogen.

4.5.2.

Voor het element ‘financiële afhankelijkheid’ geldt het volgende. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er een financiële afhankelijkheid bestaat tussen eiser en referente. Eiser heeft gesteld dat hij referente structureel financieel heeft ondersteund, maar hij heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar heeft hij enkele stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij af en toe een bedrag heeft overgemaakt aan referente, maar daaruit blijkt niet dat er sprake is van structurele betalingen over langere tijd. Deze stukken zijn dan ook onvoldoende om te oordelen dat referente financieel afhankelijk is van eiser. Ter zitting heeft eiser bovendien te kennen gegeven dat hij al enige tijd niet meer werkt en daarom geen financiële bijdrage meer levert en dat hij nu juist door referente wordt onderhouden. Ook deze stelling is echter niet onderbouwd, nog daargelaten dat die stelling niet duidt op afhankelijkheid van referente van eiser, maar eerder andersom.

4.5.3.

Voor het element ‘gezondheid en zorgafhankelijkheid’ geldt het volgende. Eiser heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij en referente weliswaar enige medische/psychische klachten hebben, maar dat zij op het gebied van zorg niet van elkaar afhankelijk zijn. Dit betekent dat er tussen hen geen zorgafhankelijkheid bestaat vanwege hun gezondheidstoestand.

4.5.4.

Voor het element ‘emotionele afhankelijkheid’ geldt het volgende. Tussen eiser en referente bestaat, gezien de geschiedenis die zij samen hebben (het vroeg overlijden van de moeder van referente, waardoor eiser alleen voor haar moest zorgen), zo is door verweerder ook wel erkend, een stevige emotionele binding. De rechtbank begrijpt dan ook dat eiser en referente graag samen willen zijn en dat zij elkaar zullen missen als zij van elkaar verwijderd zullen zijn. Maar de rechtbank is met verweerder van oordeel dat de emotionele band tussen eiser en referente nu ook weer niet van dien aard is dat moet worden geoordeeld dat er sprake is van een emotionele afhankelijkheid. Niet is namelijk aannemelijk gemaakt dat referente moeilijk of niet kan functioneren zonder de aanwezigheid van eiser (of andersom). Verweerder heeft er in dit verband onder meer terecht op gewezen dat eiser van 2011 tot 2017 in Frankrijk gedetineerd heeft gezeten en dat niet is gebleken dat referente toen niet heeft kunnen functioneren. En ook na 2017 is referente niet altijd met eiser geweest (zie 4.5.1), zonder dat is gebleken dat haar functioneren is gestagneerd. In de bezwaarfase zijn medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat de onzekere situatie rondom eiser al langere tijd voor depressieve klachten bij referente zorgt. Hoewel dit vervelend voor referente is, is dit onvoldoende om te oordelen dat er sprake is van een emotionele afhankelijkheid tussen haar en eiser, nu uit die stukken niet blijkt dat die klachten referente, die een eigen woning heeft, werk heeft en in staat is gebleken relaties aan te gaan, in al grote mate hinderen in haar functioneren. Dat die psychische klachten aanzienlijk zullen toenemen als zij en eiser van elkaar worden gescheiden, zoals zij op zitting hebben gesteld, volgt niet uit de overgelegde medische stukken en is ook niet anderszins onderbouwd.

4.5.5.

Voor het element ‘banden met het land van herkomst’ geldt het volgende. Verweerder heeft, anders dan eiser in zijn beroepschrift suggereert, niet gesteld dat de emotionele steun van eisers broers en ouders in Algerije gelijk te stellen is met de steun van referente. Wel heeft verweerder gesteld, en zulks naar het oordeel van de rechtbank terecht, dat eiser nog enige banden heeft met Algerije vanwege de aanwezigheid van zijn broers en ouders daar, alsmede vanwege het feit dat hij daar 26 jaar heeft gewoond en daardoor bekend is met de cultuur en gebruiken daar.

4.6.

Gelet op het vorenstaande, waaruit volgt dat er een lange periode van niet-samenwonen is (geweest), dat er geen sprake is van een financiële afhankelijkheid of zorgafhankelijkheid en dat de emotionele banden niet zo sterk zijn dat er sprake is van een emotionele afhankelijkheid, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er tussen eiser en referente ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan die de gebruikelijke emotionele banden tussen een vader en een meerderjarige dochter overstijgen. Dit betekent dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er tussen eiser en referente geen beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. Verweerder was daarom niet gehouden een belangenafweging te maken tussen de belangen van eiser en referente om samen in Nederland te kunnen zijn en de belangen van de Nederlandse staat, maar kon volstaan met de vaststelling dat er geen sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ (vgl. de onder 4.2. vermelde Afdelingsuitspraak van 27 maart 2024).

4.7.

Het voorgaande, in samenhang bezien, leidt tot de slotsom dat in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond gelegen is voor het oordeel dat verweerder hem met toepassing van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.

Mvv-vrijstelling op grond van de hardheidsclausule?

5.1.

Verweerder kan besluiten om een verblijfaanvraag niet af te wijzen op de grond dat niet aan het mvv-vereiste wordt voldaan, indien vasthouden aan het mvv-vereiste naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dit volgt uit artikel 3.71, derde lid, van het Vb en wordt ook wel de hardheidsclausule genoemd.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen grond heeft hoeven zien voor toepassing van de hardheidclausule. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen in het kader van artikel 8 van het EVRM, heeft verweerder in de door eiser gestelde band tussen hem en referente en zijn standpunt dat een scheiding voor beiden tot een maatschappelijke teloorgang zal leiden, geen aanleiding hoeven zien om aan te nemen dat het voor eiser zeer bezwaarlijk of onevenredig moeilijk is om vanuit Algerije een mvv aan te vragen. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gezien het voorgaande, waaruit blijkt dat geen van de beroepsgronden slaagt, ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de wet- en regelgeving zoals geldend tot 12 juni 2026.