Vreemdelingenrecht

In deze zaak beoordeelt de rechtbank het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit (TKB). Niet in geschil is dat…

Rechtbank Den Haag, 5 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 5 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Datum publicatie
7 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.27550
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:29537
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

In deze zaak beoordeelt de rechtbank het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit (TKB). Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het uitvaardigen van het bestreden besluit niet rechtmatig in Nederland was, zodat tegen hem een terugkeerbesluit moest worden uitgevaardigd. De rechtbank is van oordeel dat zowel de verklaringen van eiser als de overgelegde stukken in beroep geen aanleiding vormden voor verweerder om nader onderzoek te verrichten. Ook blijkt uit de verklaringen geen aanwijzing om te vermoeden dat eiser bij terugkeer naar Tunesië een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Het beroep is ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.27550 (beroep)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1993, van Tunesische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. H. Loth),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Visscher).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren de gemachtigden van partijen aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Het bestreden besluit

1. Met het bestreden besluit heeft verweerder een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd op grond van artikel 62 van de Vw. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij:

  • bij binnenkomst niet heeft voldaan aan de verplichtingen waaraan deze bij grensoverschrijding is onderworpen, gezien hij niet in het bezit is van rechtmatig verblijf;

  • zich niet, dan wel niet onmiddellijk heeft gehouden aan het bepaalde krachtens en bij de Vw.

Verweerder heeft bepaald dat eiser het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen een termijn van vier weken dient te verlaten. Aan het terugkeerbesluit is ten grondslag gelegd dat eiser:

Zware gronden

  • 3a: Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

  • 3b: Zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

Lichte gronden

  • 4a: Zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

  • 4d: Niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang

2. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting toegelicht dat eiser het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland niet heeft verlaten sinds het opgelegde terugkeerbesluit in mei 2025. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Overigens is het vaste rechtspraak dat eiser ook na het verlaten van het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep, omdat een terugkeerbesluit in de toekomst mede ten grondslag gelegd kan worden aan een inreisverbod.

Inhoudelijke beoordeling

3. Eiser stelt dat hem ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn gezinsleven. Eiser heeft namelijk een partner en een kind in Frankrijk. Verweerder had bij twijfel aan het bestaan hiervan nader onderzoek moeten doen en eiser in de gelegenheid moeten stellen om de gestelde gezinsband met stukken te onderbouwen. Ook had verweerder medische stukken moeten opvragen en een actuele medische beoordeling moeten maken, om te onderzoeken wat de gevolgen van terugkeer naar Tunesië zijn. Verder had verweerder moeten doorvragen naar de aard van de gestelde problemen bij terugkeer, de gevolgen van het illegale vertrek uit Tunesië en de genoemde slechte leefomstandigheden. De uitkomst hiervan had verweerderuitdrukkelijk in het besluit moeten motiveren. Tot slot stelt eiser dat verweerder de zware en lichte gronden die ten grondslag liggen aan het terugkeerbesluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Eiser heeft in het gehoor op 28 mei 2025 verklaard dat hij een vrouw en kind heeft in Frankrijk en dat hij daar onder medische behandeling staat. Verder heeft eiser verklaard dat hij bij terugkeer naar Tunesië problemen krijgt omdat hij illegaal is uitgereisd, omdat de leefomstandigheden slecht zijn en omdat hij niet meer apart wil leven van zijn zoontje in Frankrijk. In beroep heeft eiser een document overgelegd, waaruit blijkt dat eiser een afspraak had in het ziekenhuis in Frankijk op 29 april 2025. Daarnaast heeft eiser foto’s overgelegd waaruit zijn gestelde huwelijk zou blijken.

4.2.

Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het uitvaardigen van het bestreden besluit niet rechtmatig in Nederland was, zodat tegen hem een terugkeerbesluit moest worden uitgevaardigd. Eiser heeft geen inhoudelijke beroepsgronden aangevoerd tegen de zware en lichte gronden die ten grondslag liggen aan het terugkeerbesluit, anders dan de stelling dat deze onvoldoende gemotiveerd zijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze gronden terecht aan het terugkeerbesluit ten grondslag heeft gelegd.

4.3.

Verweerder heeft eiser daarbij voorafgaand aan de oplegging van het terugkeerbesluit gehoord, zodat eiser zijn in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen naar voren heeft kunnen brengen. De rechtbank is van oordeel dat zowel de verklaringen van eiser als de overgelegde stukken in beroep geen aanleiding vormden voor verweerder om nader onderzoek te verrichten. Eiser heeft de gestelde gezinsband en de medische behandeling onvoldoende onderbouwd met documenten. De verklaringen van eiser over zijn illegale uitreis en slechte leefomstandigheden in Tunesië zijn daarmee geen aanwijzingen om te vermoeden dat eiser bij terugkeer naar Tunesië een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.

5. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. K.J. Vos, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Vreemdelingenwet 2000. ECLI:NL:RVS:2024:1178. Richtlijn 2008/115/EG over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.