Vreemdelingenrecht

Verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘Verblijf voor economisch niet actieve…

Rechtbank Den Haag, 8 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.26030
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:29686
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘Verblijf voor economisch niet actieve langdurig ingezeten derdelanders’. In geschil is of het eigen vermogen van eiser als zelfstandig kan worden aangemerkt. Uit artikel 3.73, eerste lid, van het Vb volgt dat middelen van bestaan in ieder geval zelfstandig zijn als deze zijn verworven uit eigen vermogen. Reeds hierom heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het eigen vermogen van eiser niet zelfstandig is. Dat eiser de herkomst van het eigen vermogen niet zou hebben aangetoond doet daar niet aan af. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.26030

V-nummer: [V nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1986, van Afghaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. S. Guman),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Met het primaire besluit van 6 mei 2024 heeft de minister de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Met het bestreden besluit van 14 mei 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 op zitting behandeld. Daarbij waren de gemachtigden van partijen en M. Dahiya als tolk in de taal Hindi aanwezig. Eiser nam via een telefonische verbinding deel aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond

1. Eiser heeft op 23 december 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend voor het doel ‘Verblijf voor economisch niet actieve langdurig ingezeten derdelanders’. Eiser heeft in Italië een verblijfsstatus ‘EU-langdurig ingezetene’ zoals bedoeld in de Richtlijn Langdurig ingezetenen en verzoekt om een verblijfsvergunning voor Nederland. In zijn aanvraag schrijft eiser dat hij voldoende eigen vermogen heeft. Dit heeft hij opgebouwd door middel van hard werken via zijn onderneming. Eiser verwijst naar zijn spaarrekening.

Het bestreden besluit

2. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd, omdat – zoals de gemachtigde van de minister ter zitting heeft verduidelijkt – eiser niet heeft aangetoond dat zijn eigen vermogen zelfstandig is zoals bedoeld in artikel 3.73 van het Vb. De bron van dit vermogen is namelijk niet aangetoond of nader toegelicht. Een groot deel van het vermogen bestaat uit contante stortingen en eiser heeft hierover geen toelichting gegeven.

Standpunt eiser

3. Eiser stelt zich – samengevat – op het standpunt dat zijn eigen vermogen wel zelfstandig is. De minister had niet, zonder nadere, concrete en draagkrachtige motivering, van eiser mogen verlangen dat hij de herkomst van het opgebouwde vermogen nader onderbouwde. Daar komt bij dat uit het beleid van de minister volgt dat alle middelen van bestaan worden geaccepteerd, ongeacht de bron daarvan. Daarnaast is wél duidelijk waar het eigen vermogen van afkomstig is, namelijk van zijn onderneming.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank overweegt als volgt. De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene wordt slechts verleend als de aanvrager (onder meer) duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan (het zogeheten middelenvereiste). De reden van het middelenvereiste is om te voorkomen dat een economisch niet-actieve vreemdeling een beroep doet op de publieke middelen, zoals een bijstandsuitkering.

4.1.

Het is niet in geschil dat eiser op 5 maart 2025 een bedrag van €39.055,41 op zijn bankrekening had staan. Dit is daarmee eigen vermogen van eiser. In geschil is slechts of dit eigen vermogen als zelfstandig kan worden aangemerkt. Uit artikel 3.73, eerste lid, van het Vb volgt – voor zover hier van belang – dat middelen van bestaan in ieder geval zelfstandig zijn als deze zijn verworven uit eigen vermogen. Reeds hierom heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het eigen vermogen van eiser niet zelfstandig is.

4.2.

Dat eiser de herkomst van het eigen vermogen niet zou hebben aangetoond – wat daar ook van zij – doet daar niet aan af. Uit artikel 15, tweede lid, onder a, van de Richtlijn langdurig ingezetene volgt dat de lidstaten de betrokkene kunnen vragen bewijzen over te leggen waaruit blijkt dat hij beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Om te bewijzen dat eiser beschikt over voldoende middelen van bestaan, heeft hij bankafschriften overgelegd. Uit niets volgt dat eiser vervolgens ook de herkomst van zijn eigen vermogen dient aan te tonen of aannemelijk dient te maken. Daar komt bij dat de minister volgens zijn beleid alle middelen van bestaan accepteert ongeacht de bron waaruit deze afkomstig zijn. Dat eiser niet over zijn eigen vermogen zou kunnen beschikken, is evenmin gebleken, omdat het eigen vermogen op de bankrekening van eiser zelf staat.

4.3.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie

5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat het onvoldoende gemotiveerd is. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister daarvoor een termijn van zes weken.

6. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De minister moet ook het betaalde griffierecht van € 194,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • veroordeelt de minister tot betaling van €1.868,- aan proceskosten aan eiser.

  • bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A.H. Gonera, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen. Vreemdelingenbesluit 2000, zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit. Artikel 3.29a, aanhef en onder b, van het Vb. Richtlijn 2003/109/EG.