Vreemdelingenrecht
Kennisgeving artikel 6, derde lid, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot…
Rechtbank Den Haag, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30176 · Rechtbank Den Haag · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30176
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.58359
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30176
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kennisgeving artikel 6, derde lid, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. In het proces-verbaal van gehoor is opgenomen dat om 9:50 uur, meteen bij aanvang van het gehoor, aan eiser wordt medegedeeld dat aan hem een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd en dat eiser gedurende de behandeling van zijn aanvraag wordt ingesloten in een vreemdelingendetentiecentrum. De beslissing tot oplegging van de maatregel is dus genomen, terwijl het gehoor waarin eiser zijn persoonlijke omstandigheden en bezwaren tegen de grensdetentie naar voren kan brengen, nog moest plaatsvinden. Niet is gebleken dat eiser voorafgaand aan deze mededeling al gehoord was over zijn persoonlijke omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beoordeling of de grensdetentie voor hem onevenredig bezwarend is. Beroep gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58359
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K.B. Samimi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of grensdetentie onevenredig bezwarend is. Eiser verwijst hierbij naar het gehoor met betrekking tot de vrijheidsontnemende maatregel. Het is onduidelijk of hetgeen eiser tijdens het gehoor naar voren heeft gebracht daadwerkelijk is betrokken bij de beoordeling of grensdetentie voor hem onevenredig bezwarend is of dat het gehoor slechts een formaliteit is geweest, aldus eiser.
In het proces-verbaal van gehoor met betrekking tot het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel is het volgende opgenomen:
“Op 30-09-2026 om 09:50 verscheen voor mij:
Achternaam : [eiser]
Voorna(a)m(en) : [eiser]
(…)
ALGEMEEN
Op 30-09-2026 om 09:50 uur heb ik, verbalisant, betrokkene medegedeeld dat:
- ik werkzaam was als ambtenaar belast met de grensbewaking;
- hij te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
asiel te willen indienen;
- zijn asielaanvraag wordt behandeld in de asielgrensprocedure;
- aan hem een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd;
- dat hij gedurende de behandeling van zijn aanvraag wordt ingesloten in een
vreemdelingendetentiecentrum;”
De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van gehoor is opgenomen dat om 9:50 uur meteen bij aanvang van het gehoor aan eiser wordt medegedeeld dat aan hem een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd en dat eiser gedurende de behandeling van zijn aanvraag wordt ingesloten in een vreemdelingendetentiecentrum. De beslissing tot oplegging van de maatregel is dus genomen, terwijl het gehoor waarin eiser zijn persoonlijke omstandigheden en bezwaren tegen de grensdetentie naar voren kan brengen, nog moest plaatsvinden. Niet is gebleken dat eiser voorafgaand aan deze mededeling al gehoord was over zijn persoonlijke omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beoordeling of de grensdetentie voor hem onevenredig bezwarend is. Het besluit is daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen.
4. Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is gegrond. De maatregel is vanaf het moment van het opleggen onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag. Omdat de maatregel vanaf het moment van opleggen onrechtmatig is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 13 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 13 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.560,-.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.560,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.