Vreemdelingenrecht

Overdracht aan Polen, afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Rechtbank Den Haag, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
13 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.60371
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30179
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Overdracht aan Polen, afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.60371


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1.1

Verzoeker heeft op 9 oktober 2026 bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen overdracht naar Polen op 13 oktober 2026 om 11.30 uur, zijnde een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw. Hij heeft op diezelfde datum de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de overdracht achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

1.2

De minister heeft op 9 oktober 2026 een schriftelijke reactie gegeven.

1.3

De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek op zitting van het verzoek om voorlopige voorziening achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan, als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, ook uitspraak doen zonder dat een zitting plaatsvindt.

Is er sprake van een spoedeisend belang?

3. De minister heeft telefonisch bevestigd dat hij voornemens is om verzoeker op

13 oktober 2026, om 11.50 uur per vliegtuig met vluchtnummer [vluchtnummer] naar Wroclaw, over te dragen aan de Poolse autoriteiten. Verzoeker heeft alleen al hierom een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.

4.1

Verzoeker voert aan dat hij op 13 oktober 2026 wordt overgedragen aan de autoriteiten van Polen en dat hierin het spoedeisend belang van zijn verzoek zit. Verzoeker is het er niet mee eens dat hij fit-to-fly is verklaard. Daarbij wijst verzoeker erop dat een eerder geplande overdracht aan de Poolse autoriteiten op 10 september 2026 niet is doorgegaan omdat hij in de nacht daarvoor een paniekaanval heeft gehad. Sindsdien zijn, door de naderende overdracht, zijn benauwdheidsklachten toegenomen en is door de minister niet onderzocht of verzoeker in staat is te vliegen. Ook heeft de minister niet onderzocht of de Poolse autoriteiten adequate maatregelen kunnen nemen nadat verzoeker is overgedragen.

4.2

De voorzieningenrechter overweegt dat de grondslag voor de voorgenomen overdracht van verzoeker is gelegen in de AMB (hierna: de Verordening). Conform het toepasselijke beleid – neergelegd in paragraaf A3/7.4.2 van de Vc – past de minister artikel 64 Vw niet toe als de vreemdeling op grond van de verordening wordt overgedragen aan een bij de Verordening aangesloten lidstaat. In dat geval kan de vreemdeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen aan een andere lidstaat, tenzij de vreemdeling met bewijsmiddelen aannemelijk maakt dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. In dit verband is in het kader van verzoeker zijn asielprocedure bij uitspraak van 19 augustus 2026 door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, vastgesteld dat – kort samengevat – verzoeker geen medische documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij onder specialistische medische behandeling staat, dat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mag gaan dat de medische voorzieningen in Polen vergelijkbaar zijn met die in Nederland en dat er vanuit kan worden gegaan dat in Polen met één en ander zo nodig rekening zal worden gehouden. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker ook in de onderhavige procedure geen medische documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij nu wel onder medische specialistische behandeling staat. Dat verzoeker een paniekaanval heeft gehad en dat zijn benauwdheidsklachten zijn toegenomen maakt dit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Evenmin blijkt daaruit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat verzoeker niet fit-to-fly is. Tot slot heeft verzoeker - naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter - geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht dat in zijn geval, anders dan in de asielprocedure is geoordeeld, op dit moment niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De voorzieningenrechter is op grond van het vorenstaande daarom van oordeel dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft.

4.3

De minister heeft in het verweerschrift de voorzieningenrechter gevraagd tevens uitspraak te doen in het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen het afwijzende besluit van 8 september 2026 waarbij aan verzoeker geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 is verleend. De voorzieningenrechter is daartoe echter niet bevoegd, nu het betreffende verzoek om een voorlopige voorziening in behandeling is bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.J. Kambeel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:83, vierde lid, van de Awb. Asiel- en Migratiebeheerverordening.