Vreemdelingenrecht
Griekse statushouder. Beroep gegrond. De minister heeft de nieuwe landeninformatie in het besluit nog niet…
Rechtbank Den Haag, 12 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30185 · Rechtbank Den Haag · 12 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30185
Zaakgegevens
Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2026
- Datum publicatie
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.49293
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30185
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Griekse statushouder. Beroep gegrond. De minister heeft de nieuwe landeninformatie in het besluit nog niet betrokken.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49293
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J.O. Isibor).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser, als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 juli 2026 een asielaanvraag ingediend. Hij stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 augustus 2026 deze aanvraag in de versnelde asielprocedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Eiser heeft aanvullende gronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.D.M. Metry als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?
3. Eisers asielaanvraag is niet-ontvankelijk, omdat hij internationale bescherming
heeft in een ander land van de Europese Unie. Eiser heeft namelijk sinds 29 juni 2026
internationale bescherming in Griekenland. Eiser heeft dit tijdens het nader gehoor bevestigd. Van een intrekking van de status is niet gebleken. Ook heeft eiser een band met Griekenland, hij heeft daar namelijk een asielstatus.
De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser als zelfredzaam kan worden beschouwd. Eiser is een volwassen, alleenstaande man en het is niet gebleken dat hij kwetsbaar is. De minister heeft verwezen naar het nader gehoor, waarin hij heeft verklaard dat het goed met hem gaat en hij geen last heeft van een ziekte. Daarnaast blijkt uit landeninformatie dat het voor eiser niet onmogelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien als hij teruggaat naar Griekenland. Gebleken is dat statushouders in de praktijk toegang hebben tot medische zorg, informele arbeid en huisvesting. Ook kunnen zij zich zonder ondersteuning redden. Volgens de minister is het ontbreken van een sociaal netwerk niet uitzonderlijk en wil het niet zeggen dat de statushouder zich niet zelfstandig kan handhaven. Eiser zal niet terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie.
Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij geen bescherming kan krijgen van de Griekse autoriteiten, onder meer omdat hij dat nooit heeft geprobeerd. Eiser heeft kort na het verkrijgen van de verblijfsvergunning Griekenland verlaten. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat de Griekse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Daar komt bij dat eiser niet genoeg heeft gedaan om te krijgen waar hij recht op heeft, terwijl dit wel van hem mag worden verwacht. De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Waarom is eiser het hier niet mee eens?
4. Eiser voert aan dat de beoordeling en de motivering in het bestreden besluit of sprake is van een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, onvoldoende is gekoppeld aan de individuele en feitelijke situatie van eiser. Volgens eiser verkeerde hij in een toestand van materiële deprivatie. Eiser betoogt met verwijzing naar landeninformatie, dat na het verlenen van de status geen aanspraak meer kan worden gemaakt op materiële voorzieningen. Ook terugkerende statushouders, zoals eiser, komen voor huisvesting en toeslagen niet meer in aanmerking. Met verwijzing naar landeninformatie stelt eiser dat de omstandigheden voor statushouders die terugkeren naar Griekenland nog steeds erbarmelijk zijn en volgens eiser de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim halen.
Verder stelt eiser dat hij niet kan worden aangemerkt als zelfredzaam. Hij kan zich namelijk niet handhaven in Griekenland. Uit het gehoor blijkt dat eiser zijn Griekse asielvergunning kreeg in juni 2026, paspoort op 1 juli 2026 en op 5 juli 2026 in Nederland aankwam. Eiser had feitelijk maar enkele dagen om zijn rechten als Griekse statushouder te effectueren, terwijl hij vóór statusverlening reeds meer dan zeven maanden zonder eigen huisvesting, zonder AMKA (sociaalzekerheidsnummer), AFM (belastingnummer) en zonder taallessen in de opvang verbleef. Eiser zou vier weken na de statusverlening uit de opvang worden gezet. Ook geeft eiser aan dat hij geen Grieks en geen Engels spreekt, hij communiceerde uitsluitend via een tolk. Hij had geen sociaal netwerk in Griekenland, is nooit in staat gesteld taallessen te volgen ondanks herhaald verzoek. Zijn poging om voor zes uur onbetaald werk betaald te krijgen strandde omdat hij de eigenaar niet kon verstaan en niet wist waar hij terecht kon. Eiser meent dat hij duidelijk heeft verklaard dat sprake was van arbeidsuitbuiting. Eiser geeft aan dat hij bang was om naar de autoriteiten te gaan. In Kyllini, waar hij verbleef, waren geen hulporganisaties aanwezig, deze waren enkel in Athene. Het kan hem daarom niet verweten worden dat hij geen hulp heeft gezocht.
Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat de minister zijn kwetsbaarheid niet heeft onderkend. Hij heeft ook tijdens het gehoor aangegeven een afspraak met een arts te willen, omdat hij niet goed kan slapen. Eiser behoort tot de Zaghawa-stam en hij heeft een traumatische ervaring meegemaakt in Soedan. Hij heeft gezien hoe zijn broer gedood werd door de RSF. Uit het landgebonden beleid blijkt dat de Zaghawa-stam systematisch doelwit is van geweld door RSF-milities.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning kan niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Het uitgangspunt is dat de minister daarbij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is dan aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen. Voor Griekenland ligt dit echter anders. Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 volgt dat er grote zorgen bestaan over de situatie van terugkerende statushouders in Griekenland. De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat de minister niet zonder meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en kan concluderen dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer in Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. De minister moet daarom motiveren dat Griekse statushouders bij terugkeer naar Griekenland niet terechtkomen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
6. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. In vervolg daarop heeft de minister in IB 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon oordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kon worden verklaard. IB 2022/84 is uiteindelijk vervangen door IB 2024/31, IB 2025/20 en IB 2026/1. Volgens IB 2024/31 kon een asielaanvraag slechts niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling een verblijfsvergunning, een belastingnummer en een sociaalzekerheidsnummer had. Ook was vereist dat de vreemdeling in Griekenland onderdak en voorzieningen had en deze opnieuw kon verkrijgen. Dit is in IB 2026/1 losgelaten. Een asielaanvraag van een Griekse statushouder kan niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Een vreemdeling wordt zelfredzaam geacht als hij een volwassen, alleenstaande man is die niet kwetsbaar is en beschikt over een geldige verblijfsvergunning.
Recent (op 25 augustus 2026) is een nieuw informatiebericht verschenen, namelijk IB 2026/31. Dit nieuwe informatiebericht bevat een uitbreiding van de criteria zoals benoemd in IB 2026/1, maar geen wijziging ten opzichte van het voorgaande zelfredzaamheidscriterium.
7. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zelfredzaam is. Volgens de minister blijkt namelijk uit landeninformatie dat eiser niet zal terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie bij terugkeer naar Griekenland, omdat het voor hem niet onmogelijk is om daar in zijn basisbehoeften te voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister hiermee een te zware eis aan eiser. Een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, zoals bedoeld in het arrest Ibrahim, is namelijk wezenlijk anders dan een situatie waarin het niet onmogelijk is om in de basisbehoeften te voorzien.
8. Als onderbouwing voor het standpunt dat eiser niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt heeft de minister gewezen op informatie waaruit volgt dat zowel de overheid als veel NGO’s actief zijn om statushouders te ondersteunen, dat het mogelijk is om onderdak te verkrijgen en dat de situatie op de arbeidsmarkt is verbeterd. De minister heeft desgevraagd echter niet toegelicht op grond van welke concrete informatie sprake is van een verbetering ten opzichte van de situatie voor Griekse statushouders in 2021.
9. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit de meest recente landeninformatie uit het rapport van RSA van 27 april 2026 en het rapport van AIDA van 23 juli 2026 niet heeft meegewogen. Uit deze landeninformatie leidt de rechtbank af dat de problematiek voor Griekse statushouders niet is afgenomen ondanks de inspanningen die door de overheid zijn gedaan. Statushouders lopen volgens het rapport van AIDA nog steeds een direct en ernstig risico te worden blootgesteld aan omstandigheden van materiële deprivatie, zonder toegang tot basisvoorzieningen en zonder de noodzakelijke documenten om hun integratie te starten. Uit het RSA-rapport volgt dat de toegang van statushouders tot essentiële rechten en hun contacten met overheidsinstanties in Griekenland afhankelijk is van het bezit van documenten, waarbij het bezit van het ene document voorwaarde voor het verkrijgen van het andere document is of waarbij het voldoen aan voorwaarden vrijwel onmogelijk is. Zo is een sociaalzekerheidsnummer (AMKA) nodig is om toegang te hebben tot zorg en voorzieningen, tot de arbeidsmarkt en voor het aanvragen van steunprogramma’s, maar kan dat nummer niet worden verkregen zonder een bewijs van tewerkstelling. Vaststaat dat eiser niet meer beschikt over zijn verblijfsdocument nu hij dat heeft weggemaakt. De minister stelt zich op het standpunt dat het niet noodzakelijk is dat eiser daadwerkelijk over zijn Griekse verblijfsdocument beschikt, omdat hij een vervangend document kan aanvragen in Griekenland. De rechtbank is van oordeel dat de minister daar ten onrechte niet bij heeft betrokken dat het voor terugkerende statushouders, die niet meer in het bezit zijn van hun Griekse verblijfsvergunning (ADET), maanden kan duren voordat deze opnieuw wordt afgegeven. Als gevolg daarvan kan de statushouder geen belastingnummer (AFM) en sociaalzekerheidsnummer (AMKA) verkrijgen waardoor er ook geen toegang is tot huisvesting, sociale voorzieningen, zorg en arbeid. Het standpunt van de minister dat eiser in dat geval zwart werk kan verrichten als dit een inkomen verschaft en via zijn netwerk of op illegale wijze woonruimte kan verkrijgen, volgt de rechtbank niet.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal zij de overige gronden onbesproken laten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank de minister niet op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht-Kampman, rechter, in aanwezigheid van mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.