Vreemdelingenrecht

Beroep ongegrond. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom eiser met zijn…

Rechtbank Den Haag, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
13 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.43177
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30193
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep ongegrond. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom eiser met zijn verklaringen, ook in samenhang met de overgelegde documenten bezien, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de problemen van eiser met zijn oom geloofwaardig zijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.43177


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. D. Post).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Liberiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. F.W. Verweij als waarnemer van de gemachtigde van eiser, E.O. Tackey als tolk en de gemachtigde van de minister. Ter zitting heeft de rechtbank eiser een termijn gegund tot 1 september 2026 om een contra-expertise te overleggen. Eiser heeft geen contra-expertise overgelegd. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 september 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is afkomstig uit Liberia. Hij heeft verklaard dat zijn vader hem vroeg om de rubberplantage na zijn studie over te nemen. Deze rubberplantage wilde zijn oom graag overnemen. Eisers oom is lid van de ‘Grand Masonic Temple’ (hierna: Masonics), welke gemeenschap het rechtssysteem in Liberia beheerst. Eiser heeft verklaard dat er op 13 februari 2019 een woninginbraak heeft plaatsgevonden, waarbij zijn vader om het leven is gekomen. Eiser is zelf niet aanwezig geweest bij de woninginbraak. Op 14 november 2019 is eiser gebeld door [naam 1] . [naam 1] vertelde eiser dat zijn oom, [naam 2] en nog een persoon zou hebben ingehuurd om eiser te vermoorden. [naam 1] is hierover geïnformeerd door [naam 2] zelf. Na de waarschuwing van [naam 1] heeft eiser Liberia verlaten.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst;

- de problemen met eisers oom.

De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn.

De problemen met eisers oom vindt de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Ook vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen als ongegrond.

Het standpunt van eiser

5. Eiser is allereerst van mening dat de zaak aangehouden dient te worden, in afwachting van de uitkomsten van de contra-expertise die is opgevraagd naar aanleiding van het onderzoek van Bureau Documenten. Eiser stelt dat de overgelegde documenten een onderbouwing vormen van zijn verklaringen. Het document met betrekking tot de eigendom van de rubberplantage, toont bijvoorbeeld aan dat eisers vader inderdaad in het bezit was van een rubberplantage. Daarnaast vindt eiser dat de minister de verklaring van [naam 2] onjuist heeft geïnterpreteerd.

Volgens eiser wordt ten onrechte tegengeworpen dat zijn verklaringen tegenstrijdig zouden zijn aan de verklaring van [naam 2], omdat hij heeft verklaard dat zijn vader door meerdere mannen is vermoord die in de woning hebben ingebroken. Dat [naam 2] de opdracht heeft gekregen om eiser te vermoorden, betekent volgens eiser niet dat hij ook achter de moord op zijn vader zit. Verder stelt eiser dat ten onrechte aan hem is tegengeworpen dat het onduidelijk is waarom juist hij bedreigd zou worden door zijn oom. Volgens eiser heeft zijn oom een duidelijk motief om hem te vermoorden, aangezien eiser van jongs af aan voorbestemd is om de rubberplantage over te nemen. Eiser heeft toegelicht dat in tegenstelling tot eiser, zijn drie broers en moeder niet in staat en gekwalificeerd zijn om de plantage te runnen. Door de minister wordt ten onrechte tegengeworpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gelet op het tijdsverloop van vijf jaar nog steeds te vrezen heeft voor zijn oom. De minister heeft dit niet nader onderbouwd. Eisers oom heeft nog steeds een motief om hem bij terugkeer te vermoorden, omdat hij wil voorkomen dat eiser na terugkeer als rechthebbend eigenaar alsnog de rubberplantage opeist. Eiser meent dat het op de weg van de minister ligt om aan te tonen dat deze dreiging zich niet meer zou voordoen, gelet op de aannemelijkheid van de verklaringen van eiser.

Het oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen met de oom van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

7. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom eiser met zijn verklaringen, ook in samenhang met de overgelegde documenten bezien, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de problemen van eiser met zijn oom geloofwaardig zijn.

Documenten

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft tegengeworpen dat eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn asielrelaas onderbouwen.

Eiser heeft een brief met identiteitskaart overgelegd, die afkomstig zou zijn van [naam 2] ([naam 2]), waarin staat dat [naam 2] is ingehuurd door eisers oom om eiser te liquideren. Ook staat er dat [naam 2] eiser heeft gewaarschuwd door contact op te nemen met [naam 1] . De minister heeft het onnavolgbaar kunnen vinden dat [naam 2] eiser heeft gewaarschuwd, vervolgens een bekentenis op papier zou zetten en zijn eigen identiteitskaart zou toevoegen. [naam 2] brengt zichzelf hiermee namelijk in gevaar, omdat het kan zorgen voor problemen met zowel autoriteiten en/of eisers oom. Het is daarom niet in te zien dat [naam 2] zo een groot risico heeft genomen. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat deze bekentenis ongeloofwaardig is.

De minister heeft de overige door eiser overgelegde stukken laten onderzoeken door Bureau Documenten en een aanvullend voornemen uitgebracht. Deze onderzochte documenten betreffen onder andere een verklaring, een overlijdensakte, een politieverklaring, twee documenten over gevolgd onderwijs en een document van de rechtbank. Uit dit onderzoek is gebleken is dat de overlijdensakte hoogstwaarschijnlijk niet echt is. Ook de politieverklaring is mogelijk niet echt. Daarom kan er niet geconcludeerd worden of de documenten inhoudelijk juist zijn en kan er geen waarde worden gehecht aan de documenten. Bureau Documenten heeft ook de juridische verklaring en de andere overgelegde documenten beoordeeld en geconcludeerd dat de authenticiteit van de overgelegde documenten niet kan worden vastgesteld en heeft een neutraal advies afgegeven. De documenten kunnen niet op echtheid worden onderzocht en hierdoor kan niet worden vastgesteld of de documenten juist zijn en hierdoor kan geen waarde worden gehecht aan deze documenten.

9. Eiser heeft naar aanleiding van dit documentenonderzoek, verzocht het beroep aan te houden om de contra-expertise van de documenten (de overlijdensakte en het politierapport) af te wachten. De rechtbank heeft om deze reden een eerdere zitting uitgesteld. Op de zitting van 14 augustus 2026 is gebleken dat de contra-expertise nog niet ontvangen is. Gemachtigde heeft aangegeven dat het rapport van de contra-expertise binnen enkele dagen verwacht wordt. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank aan eiser (bevestigd bij brief van 14 augustus 2026) een termijn geboden tot 1 september 2026 om de rapportage van de contra-expertise in te dienen. Gebleken is dat de rapportage binnen die termijn (en tot op heden) niet is ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is aan eiser daarom voldoende tijd geboden voor het aanleveren van de contra expertise.

Aangezien er geen rapport van de contra-expertise is ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat van deze conclusies van Bureau Documenten uit kan worden gegaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Verklaringen

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister verder op goede gronden geconcludeerd dat eisers verklaringen over de problemen met zijn oom geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.

Hierbij heeft de minister onder andere kunnen betrekken dat eisers verklaringen over wie er achter de moord op zijn vader zit, inconsistent zijn en gebaseerd zijn op vermoedens. Nu de minister de door eiser overgelegde bekentenis ongeloofwaardig heeft kunnen vinden, blijven er geen concrete indicaties over dat zijn oom achter de moord op zijn vader zit. De enkele stelling dat eisers oom behoort tot de Masonics en daardoor mogelijk bepaalde privileges bezit, onderbouwt nog niet dat dit daadwerkelijk het geval is. Eiser heeft ook niet kunnen onderbouwen dat in het geval van de moord op eisers vader sprake was van corruptie bij de politie. De enkele verwijzing naar algemene bronnen over de Masonics is hiervoor niet voldoende.

11. Verder heeft de minister aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt waarom juist hij op dit moment bedreigd wordt door zijn oom. Dit blijkt namelijk niet uit zijn verklaringen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het op de weg van de minister ligt om aan te tonen dat de door eiser gestelde dreiging zich op dit moment niet meer zou voordoen. De minister heeft in dit kader kunnen verwijzen naar het erfrecht in Liberia waaruit blijkt dat alle kinderen en de partner evenveel recht hebben op de nalatenschap van de overleden ouder en echtgenoot. De minister heeft aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment nog wordt bedreigd door zijn oom.

12. Eiser heeft voor deze onduidelijke en inconsistente verklaringen (ook in beroep) geen afdoende verklaring of opheldering gegeven. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van

mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vreemdelingenwet 2000 Voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c,