Vreemdelingenrecht

Grensdetentie; artikel 6, derde lid, van de Vw; naar het oordeel van de rechtbank blijkt onvoldoende dat…

Rechtbank Den Haag, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
13 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.58667
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30200
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Grensdetentie; artikel 6, derde lid, van de Vw; naar het oordeel van de rechtbank blijkt onvoldoende dat eiseres daadwerkelijk een asielaanvraag heeft willen indienen; het had op de weg van de minister gelegen nader onderzoek te verrichten; gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.58667


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Eiseres heeft vervolgens laten weten afstand te doen van haar recht om te worden gehoord.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.1a van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

3. Eiseres voert – samengevat – aan dat zij op een verkeerde grondslag in grensdetentie is gesteld en de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te onderzoeken of eiseres daadwerkelijk asiel wilde aanvragen. In het gehoor met betrekking tot het uitstellen van de toegangsweigering en het opleggen van grensdetentie heeft eiseres op de vraag of het juist is dat zij te kennen heeft gegeven dat zij een asielaanvraag wil indienen, het volgende geantwoord: “Nee, ik heb geen familie wonen in Nederland. Ik heb wel een zus wonen in Spanje, zij woont daar met haar verloofde en zij hebben beide rechtmatig verblijf in Spanje. Met mijn zus heb ik een goede band, ik spreek haar iedere dag. Ook heb ik een tante wonen in Duitsland maar daar heb ik geen contact mee. Ik heb veel familie van zowel vaders kant als moeders kant, maar met beide kanten heb ik gebroken en spreek ik niemand. Ik heb dus alleen contact met mijn zus.” Ook anderszins blijkt niet dat eiseres redenen heeft waarom zij asiel zou willen aanvragen in Nederland. Eiseres heeft geen problemen in Venezuela of Jordanië. De getekende asielaanvraag doet hier ook niets aan af. Voor juristen is het namelijk duidelijk wat een asielaanvraag is, maar in de praktijk zien we vaak dat mensen de verschillen niet weten.

4. De minister voert – samengevat – aan dat de grensdetentie op de juiste grondslag is opgelegd. Eiseres heeft niet aangegeven geen asiel aan te willen vragen. Het is de vraag of hetgeen wat eiseres aanvoert over haar antwoord in het gehoor, niet een opmaakfout is geweest. De minister had het kunnen navragen, maar heeft dat niet gedaan omdat in het gehoor het woord “asielaanvraag” veel vaker voor komt en eiseres geen moment te kennen heeft gegeven dat ze geen asiel wilde aanvragen. Eiseres had ook de gelegenheid om de asielaanvraag niet te ondertekenen. Daar komt bij dat het aan de minister is om alle aanknopingspunten te gebruiken om aan te nemen dat iemand een asielaanvraag wil indienen. De lat wordt door eiseres te hoog gelegd.

5. De rechtbank volgt eiseres en komt tot het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel van meet af aan ten onrechte is opgelegd en de minister ten onrechte heeft aangenomen dat eiseres een asielaanvraag wilde indienen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Eiseres heeft in het gehoor met betrekking tot het uitstellen van de toegangsweigering en het opleggen van grensdetentie op de vraag: “U heeft te kennen gegeven dat u een asielaanvraag (internationale bescherming) wilt indienen. Is dit juist?” geantwoord met: “Nee, ik heb geen familie wonen in Nederland. Ik heb wel een zus wonen in Spanje, zij woont daar met haar verloofde en zij hebben beide rechtmatig verblijf in Spanje. Met mijn zus heb ik een goede band, ik spreek haar iedere dag. Ook heb ik een tante wonen in Duitsland maar daar heb ik geen contact mee. Ik heb veel familie van zowel vaders kant als moeders kant, maar met beide kanten heb ik gebroken en spreek ik niemand. Ik heb dus alleen contact met mijn zus.” Verder heeft eiseres in dat gehoor aangegeven dat zij weet dat er een kans is dat zij terug moet naar Venezuela omdat het daar voor haar veilig is. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen bij de asielaanvraag dat eiseres het volgende heeft verklaard: “Mijn zus heeft samen met haar verloofde deze reis voor mij voorbereid.” en "Ik ben van Jordanië naar Turkije gevlogen en vanuit daar ben ik naar Amsterdam gereisd om hier te transiteren om vervolgens door te vliegen naar Spanje." Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze opmerkingen en antwoorden onvoldoende dat eiseres daadwerkelijk een asielaanvraag heeft willen indienen. Het had op de weg van de minister gelegen nader onderzoek te verrichten. Dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen de door haar ondertekende asielaanvraag en/of tegen de vermelding van het woord asielaanvraag in de stukken is in het licht van haar hiervoor vermelde opmerkingen onvoldoende voor de conclusie dat zij een asielaanvraag heeft willen indienen. Aan een belangenafweging komt de rechtbank verder niet toe.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van vandaag.

7. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 11 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.320,-.

8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van bewaring met ingang van vandaag;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.320,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
C. Holmond, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).