Vreemdelingenrecht
Beroep gericht tegen de ingangsdatum van een reeds verleende verblijfsvergunning. Buiten zitting afgedaan…
Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30374 · Rechtbank Den Haag · 15 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30374
Zaakgegevens
Op 15 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL25.41163
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30374
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep gericht tegen de ingangsdatum van een reeds verleende verblijfsvergunning. Buiten zitting afgedaan o.g.v. artikel 8:57 Awb. De rechtbank oordeelt dat de minister de ingangsdatum van de verblijfsvergunning in het bestreden besluit niet juist heeft vastgesteld. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast te stellen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Gegrond beroep. De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten en ziet geen aanleiding voor een lagere wegingsfactor.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41163
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J. Burema),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. D. Pas).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de inwilliging van zijn asielaanvraag. Het beroep richt zich tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning.
Eiser heeft op 28 augustus 2025 gronden van beroep ingediend.
De minister heeft op 25 augustus 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en heeft het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank beoordeelt wat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning van eiser moet zijn aan de hand van het door hem ingestelde beroep.
2. Bij besluit van 22 augustus 2025 heeft de minister eiser een verblijfsvergunning asiel toegekend met ingang van 6 december 2023 tot 6 december 2028. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van zijn vergunning en heeft in de gronden van beroep aangevoerd dat de ingangsdatum 15 september 2023 zou moeten zijn. Op 15 september 2023 heeft eiser zich immers gemeld in [plaats] en asiel aangevraagd door middel van het invullen van de loopbrief, die is overgelegd en deel uitmaakt van het dossier.
3. De minister heeft zich in het verweerschrift eveneens op het standpunt gesteld dat 15 september 2023 dient te gelden als ingangsdatum van de verleende vergunning. De minister heeft de rechtbank om proceseconomische redenen en uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting verzocht om zelf in de zaak te voorzien door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast te stellen op 15 september 2023 en te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het. De minister heeft tot slot verzocht om bij de proceskostenveroordeling de wegingsfactor zeer licht (0,25) toe te passen.
4. De rechtbank oordeelt dat de minister de ingangsdatum van de verblijfsvergunning in het bestreden besluit niet juist heeft vastgesteld. Volgens de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2025 volgt uit de wet en het Unierecht dat de asielaanvraag is ontvangen op het moment dat een vreemdeling in persoon bij de autoriteiten zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. Dit moment kan bijvoorbeeld blijken uit de loopbrief. Eiser heeft op 15 september 2023, op de datum van de loopbrief, zijn asielwens kenbaar gemaakt. Dit betekent dat de beroepsgrond slaagt en het beroep gegrond is.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de ingangsdatum. Uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast te stellen op 15 september 2023 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding om een lagere wegingsfactor toe te passen. In principe behoort een behandeling van een beroepszaak tot de categorie gemiddeld, tenzij er redenen zijn om daarvan af te wijken. Die redenen ziet de rechtbank hier niet. Het beroep tegen de ingangsdatum vraagt namelijk een inhoudelijke beoordeling. Ook in de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2025 ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om van een lagere wegingsfactor uit te gaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel is vastgesteld op 6 december 2023;
- stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast op 15 september 2023;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit van 22 augustus 2025, voor zover dat is vernietigd;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht - Kampman, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.