Vreemdelingenrecht
Bewaring; artikel 6, eerste en tweede lid, Vw; gronden voor toegangsweigering niet bestreden; gronden voor…
Rechtbank Den Haag, 25 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30380 · Rechtbank Den Haag · 25 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30380
Zaakgegevens
Op 25 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 25 september 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.54116
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30380
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring; artikel 6, eerste en tweede lid, Vw; gronden voor toegangsweigering niet bestreden; gronden voor maatregel deels bestreden; dat bepaalde omstandigheden voor veel asielzoekers geldt betekent niet dat ze niet tegengeworpen mogen worden; lichter middel; niet gebleken dat de grensdetentie onevenredig bezwarend is; geen aanleiding voor aanhouden; beroepen zijn ongegrond; verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54116
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Procesverloop
Bij besluit van 10 september 2026 (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van 11 september 2026 (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder zitting schriftelijke af te doen. Eiser heeft op 15 september 2026 zijn beroepsgronden ingediend, waarop de minister bij brief van 16 september 2026 schriftelijk heeft gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 18 september 2026 gesloten.
Overwegingen
Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)
1. De gemachtigde van eiser heeft de gronden voor het weigeren van de toegang niet betwist. De rechtbank gaat uit van een rechtmatige toegangsweigering.
Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)
2. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
De minister heeft eiser de maatregel opgelegd omdat ten aanzien van hem het risico op onderduiken bestaat, en heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser:
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
i. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de asielgrensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat de gronden dat eisers asielaanvraag is afgewezen, dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, geen individuele gronden zijn maar voor alle in de grensprocedure behandelde asielzoekers geldt. Volgens het Unierecht moeten er echter individuele gronden worden vastgesteld. Daarnaast is onvoldoende onderzocht of een lichter middel kan worden toegepast. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 14 augustus 2026.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast de eiser de grond onder d geheel niet bestrijdt. Daarbij bestrijdt eiser de overige gronden niet inhoudelijk, maar stelt hij zich op het standpunt dat deze onvoldoende geïndividualiseerd zijn om als grondslag voor de maatregel te dienen. De minister heeft er in zijn reactie terecht op gewezen dat uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter in vreemdelingenzaken volgt dat het feit dat voornoemde gronden voor veel asielzoekers gelden, niet maakt dat deze eiser niet tegengeworpen kunnen worden. Nu eiser deze gronden inhoudelijk niet heeft bestreden, kunnen deze de maatregel naar oordeel van de rechtbank dragen.
Over het onderzoek naar het lichter middel heeft de minister terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026. Hierin is geoordeeld dat zolang er geen realistische alternatieven voor grensdetentie worden opgeworpen, de Afdeling van oordeel is dat de beoordeling of de minister in grensdetentiezaken met een lichter middel had moeten volstaan, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is, waardoor de minister van grensdetentie moet afzien (artikel 5.5, tweede lid, van het Vb 2000).
Eiser is in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de grensdetentie ten eerste gevraagd of sinds zijn eerdere grensdetentie feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die reden geven om de maatregel niet op te leggen. Verder is eiser gevraagd of hij medische problemen heeft en heeft eiser gelegenheid gekregen om andere omstandigheden aan te voeren waardoor hij niet in detentie kan verblijven. Nu daar volgens eiser geen sprake van is en hij enkel vrij wil zijn, zijn er geen omstandigheden die maken dat de grensdetentie onevenredig bezwarend is waardoor de minister van grensdetentie af had moeten zien. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam slaagt gelet op het voorgaande niet. Daarbij is de rechtbank ambtshalve bekend met de prejudiciële vragen van zittingsplaats Amsterdam over het onderzoek naar een lichter middel aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Gezien de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, waarin de rechtbank zich kan vinden, maakt dit het oordeel van de rechtbank niet anders.
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
Over beide besluiten
5. Het beroep tegen bestreden besluit 1 en 2 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.