Vreemdelingenrecht
het beroep is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Eiser is MOB.
Rechtbank Den Haag, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30460 · Rechtbank Den Haag · 14 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30460
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Datum publicatie
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.8691
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30460
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
het beroep is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Eiser is MOB.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.8691
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
geboren op [geboortedag] 2000, van Algerijnse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Met het bestreden besluit van 9 februari 2026 heeft de minister de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, onder b, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep voor de vraag gesteld of er nog sprake is van procesbelang. Bij brief van 6 maart 2026 heeft de minister de rechtbank geïnformeerd dat eiser op of omstreeks 4 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft gelet hierop de gemachtigde van eiser bij bericht van 6 maart 2026 verzocht om de rechtbank te laten weten of zij nog contact heeft met eiser. Bij bericht van 13 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank laten weten dat dit niet het geval is.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
4. Omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, de gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat het contact met eiser is verloren en het is de rechtbank niet gebleken dat hij zich in de tussentijd bij zijn gemachtigde of de minister heeft gemeld, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser geen prijs meer stelt op de aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland en een inhoudelijke behandeling van het beroep.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is wegens het ontbreken van procesbelang kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.