Vreemdelingenrecht

Kennisgeving artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat de…

Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.59301
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30471
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kennisgeving artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle omstandigheden van eiser bij de beoordeling heeft betrokken en voldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval niet kon worden volstaan met een lichter middel. Verder is de termijn van zes maanden op het moment van opleggen van de maatregel nog niet verstreken. De minister heeft daarom nog geen verlengingsbesluit hoeven nemen. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.59301


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van dee maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 5 oktober 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1994, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Bourik als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

4.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet heeft betwist. De gronden zijn voorzien van de vereiste feitelijke dan wel nadere toelichting. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om een onderduikrisico aan te nemen.

5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Zo heeft de minister ten onrechte niet meegewogen dat eiser eerder in vreemdelingenbewaring heeft gezeten. Daarnaast heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij in gesprek is met DT&V om de juiste papieren te krijgen. Ook deze informatie is niet voldoende betrokken bij de beoordeling of met een lichter middel kon worden volstaan, aldus eiser.

5.1.

Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit de maatregel volgt dat eiser meerdere keren met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. Daarnaast is eiser bekend onder meerdere aliassen. Dat eiser in gesprek is met DT&V om de juiste papieren te krijgen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het gedrag van eiser in het verleden laat niet zien dat hij bereid is mee te werken aan zelfstandige terugkeer, maar wijst er juist op dat eiser zijn uitzetting probeert te frustreren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister alle omstandigheden van eiser bij de beoordeling heeft betrokken en voldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval niet kon worden volstaan met een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Verder voert eiser aan dat er ten onrechte geen verlengingsbesluit is genomen na het verstrijken van de termijn van zes maanden. Aan betrokkene is op 20 december 2024 een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft van 16 december 2025 tot en met 3 juni 2026, aansluitend en op dezelfde bewaringsgrondslag als de huidige maatregel, in bewaring gezeten. Volgens eiser moet deze eerdere bewaring worden meegeteld bij de berekening van de termijn van zes maanden en had daarom een verlengingsbesluit moeten worden genomen. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 maart 2026, de Terugkeerrichtlijn en het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de eerdere periode van bewaring moet worden meegeteld bij de berekening van de termijn van zes maanden. De eerdere bewaring heeft 170 dagen geduurd. De huidige maatregel van vreemdelingenbewaring is opgelegd op 5 oktober 2026. De termijn van zes maanden is op het moment van opleggen van de huidige maatregel nog niet verstreken. Voor zover eiser betoogt dat hij twee weken vóór het verstrijken van de termijn van zes maanden op de hoogte moet worden gesteld, overweegt de rechtbank als volgt. In paragraaf A5/6.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is bepaald dat een vreemdeling voor het verstrijken van de termijn van zes maanden op de hoogte moet worden gebracht. In deze bepaling is echter niet nader gespecificeerd dat dit (binnen) twee weken van te voren moet gebeuren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister nog geen verlengingsbesluit heeft hoeven nemen. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Dienst Terugkeer en Vertrek. Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi). ECLI:EU:C:2026:148. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.