Vreemdelingenrecht

‘Aanvraag faciliterend Schengenvisum op grond van artikel 20 van het VWEU afgewezen als kennelijk ongegrond…

Rechtbank Den Haag, 2 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 2 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
2 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
AWB 26/13730 en AWB 26/13732
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30477
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

‘Aanvraag faciliterend Schengenvisum op grond van artikel 20 van het VWEU afgewezen als kennelijk ongegrond. Meerderjarige dochter in Marokko, moeder met minderjarige (Nederlandse) broertjes in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. Beroep gegrond.’

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 26/13730 en AWB 26/13732

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 2 oktober 2026 in de zaken tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 2003, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om aan eiseres geen faciliterend Schengenvisum op grond van artikel 20 van het VWEU te verlenen. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Ook verzoekt zij om een voorlopige voorziening.

1.1.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De minister moet opnieuw beslissen op het bezwaar van eiseres. Het verzoek om een voorlopige voorziening wijst de rechtbank af. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 19 februari 2026 een aanvraag om verlening van een faciliterend Schengenvisum ingediend.

2.1.

Met het primaire besluit van 10 maart 2026 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekte dat de minister aan haar een visum moest verstrekken. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek in een uitspraak van 2 juni 2026 afgewezen.

2.2.

Met het bestreden besluit van 6 augustus 2026 heeft de minister het bezwaar van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.3.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de minister aan haar een visum moet verstrekken.

2.4.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

2.5.

De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht

3. Eiseres heeft verzocht om vrijgesteld te worden van de verplichting tot het betalen van griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank stelt op basis van de overgelegde verklaring omtrent de afwezigheid van inkomen en vermogen vast dat eiseres aan de voorwaarden voor vrijstelling voldoet. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.

Achtergrond

4. Eiseres is 23 jaar oud. Ten tijde van de aanvraag woonde zij met haar moeder [moeder] , haar minderjarige broertje [broertje] en haar minderjarige halfbroertje [halfbroertje] in Marokko. Haar ouders zijn gescheiden. Haar vader is hertrouwd en heeft afstand gedaan van het ouderlijk gezag. Haar moeder en [broertje] hebben, net als eiseres, de Marokkaanse nationaliteit. [halfbroertje] heeft de Nederlandse nationaliteit. De vader van [halfbroertje] verblijft in Nederland. Naar gesteld is de vader van [halfbroertje] buiten beeld.

4.1.

Eiseres, haar moeder en [broertje] hebben een visum aangevraagd. Aan de moeder en [broertje] is een faciliterend visum verleend omdat zij op grond van artikel 20 van het VWEU verblijfsrecht in Nederland hebben. Zij verblijven sinds 22 mei 2026 in Nederland met [halfbroertje] . Aan eiseres is het gevraagde faciliterend visum geweigerd, welke weigering in bezwaar is gehandhaafd. Eiseres verblijft nog altijd in Marokko.

Bestreden besluit

5. De minister heeft het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij in aanmerking komt voor het gevraagde visum. Eiseres heeft niet aangetoond met bewijsstukken dat zij zorg- en opvoedtaken voor haar broertje verricht. Ook heeft zij geen gezag over haar broertje.

5.1.

Verder is niet gebleken dat eiseres zo afhankelijk is van haar moeder, dat haar moeder en broertje Nederland moeten verlaten als eiseres geen verblijfsrecht in Nederland krijgt. Dat eiseres financieel afhankelijk is van haar moeder, is onvoldoende om deze afhankelijkheid aannemelijk te maken.

5.1.1.

Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres vanwege psychische klachten zodanig afhankelijk is van haar moeder dat zij niet gescheiden kunnen worden. Eiseres heeft een Certificat Medical overgelegd waaruit blijkt dat zij last heeft van een depressie en van angstklachten. Ook heeft zij een verwijzing naar een psychiater overgelegd. Uit deze stukken blijkt volgens de minister niet wat de oorzaak is van de depressie en angstklachten. Ook is niet gebleken dat deze klachten het gevolg zijn van de scheiding tussen eiseres en haar moeder.

5.1.2.

Verder is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres voor huisvesting afhankelijk is van haar moeder. De minister vindt dat, gelet op de leeftijd van eiseres, van haar verwacht mag worden dat zij huisvesting voor zichzelf kan regelen.

5.2.

Het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM slaagt volgens de minister niet. De minister van Buitenlandse Zaken is namelijk niet bevoegd om ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM te toetsen.

5.3.

De minister heeft eiseres niet gehoord omdat bij beoordeling van het bezwaar meteen bleek dat het bezwaar van eiseres niet zou kunnen leiden tot een andere beslissing en daarom kennelijk ongegrond was.

Heeft de minister de hoorplicht geschonden?

6. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij voert aan dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. In deze zaak was een hoorzitting vereist omdat er sprake is van een onduidelijk en complex feitencomplex, een ernstige medische situatie en emotionele afhankelijkheid, en een expliciet beroep op artikel 8 van het EVRM. Een hoorzitting had de minister in de gelegenheid gesteld om over deze punten door te vragen.

7. De minister stelt zich op het standpunt dat hij op goede gronden van het horen heeft afgezien. Uit de inhoud van het bezwaarschrift en de daarbij gevoegde stukken en de brief en bijlagen die in reactie op de herstelverzuimbrief zijn ingebracht, bleek meteen dat het bezwaar ongegrond was, terwijl over deze conclusie redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift terecht als kennelijk ongegrond is aangemerkt.

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

8.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Dit geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Van horen in bezwaar kan slechts worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Het bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.

8.2.

De rechtbank overweegt dat de beslissing in deze zaak sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. In bezwaar heeft eiseres veel stukken overgelegd om deze omstandigheden te onderbouwen. Daarom was er niet op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden en was het bezwaar niet kennelijk ongegrond. De minister heeft in deze zaak dan ook niet mogen afzien van horen in bezwaar.

8.3.

Dit betekent dat de besluitvorming een zorgvuldigheidsgebrek bevat. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit gebrek te passeren. Het is namelijk niet aannemelijk dat eiseres door dit gebrek niet is benadeeld. Daarbij betrekt de rechtbank dat de moeder van eiseres niet aanwezig was op de zitting. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting verklaard dat zij niet naar de zitting heeft kunnen komen omdat zij vanwege de slechte toestand van eiseres en in een poging om huisvesting te zoeken voor eiseres naar Marokko is afgereisd. Eiseres, althans haar moeder, hebben op de zitting dus niet zelf iets kunnen verklaren over hun omstandigheden en over de aanvullende stukken die zij in beroep hebben overgelegd. Tegelijkertijd is op de zitting wel gebleken dat de gestelde omstandigheden en stukken veel vragen oproepen. Zo is er een verklaring van 18 september 2026 van een arts overgelegd waarin staat dat de psychische toestand van eiseres momenteel sterk wordt beïnvloed door de langdurige scheiding van haar moeder. De minister heeft vraagtekens gezet bij de bevoegdheid van deze arts. Ook is er een brief van 15 september 2026 overgelegd waarin de aanmelding van [halfbroertje] bij het team Integrale Vroeghulp wordt bevestigd. Volgens de minister blijkt uit deze brief niet wat de ontwikkelproblemen van [halfbroertje] zijn en dat deze problemen verband houden met de scheiding tussen [halfbroertje] en eiseres. Bovendien gaat de minister ervan uit dat eiseres, gelet op haar leeftijd, zelf huisvesting in Marokko kan vinden, terwijl eiseres stelt dat dit in Marokko voor alleenstaande vrouwen niet mogelijk is. Kortom, het beeld van de gestelde omstandigheden is nog te incompleet om te kunnen concluderen dat het gebrek van het niet horen in bezwaar is ondervangen met de zitting bij de rechtbank in beroep. Een hoorzitting in bezwaar kan de nodige verduidelijking brengen.

8.4.

De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank komt niet toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. De minister moet een hoorzitting houden, waarbij in ieder geval de volgende omstandigheden aan de orde moeten komen:

  • De gestelde afhankelijkheid tussen eiseres en haar broertje [halfbroertje] ;

  • De gestelde afhankelijkheid tussen eiseres en haar moeder wat betreft medische omstandigheden en huisvesting.

10. Nu het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst het verzoek daartoe dan ook af.

11. Omdat het beroep gegrond is moet de minister de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 26/13730:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 26/13732:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank, in beide zaken:

- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Zaaknummer AWB 26/4273. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918. Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Neergelegd in artikel 3:2 van de Awb.