Vreemdelingenrecht

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan…

Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.49853
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30479
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft het besluit onzorgvuldig voorbereid en eiseres heeft een gegronde vrees voor vervolging, zodat de minister aan haar een verblijfsvergunning moet toekennen. Gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49853


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft het besluit onzorgvuldig voorbereid en eiseres heeft een gegronde vrees voor vervolging, zodat de minister aan haar een verblijfsvergunning moet toekennen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft de minister gevraagd om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Zij stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

2.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M.N. Haidari als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Eerst wordt beoordeeld welke elementen van het asielrelaas geloofwaardig zijn. Vervolgens wordt beoordeeld of de geloofwaardig bevonden elementen van het asielrelaas reden zijn om aan eiseres de vluchtelingenstatus (wegens een vrees voor vervolging) of de subsidiaire beschermingsstatus (wegens een risico op ernstige schade) toe te kennen. De rechtbank heeft de bevoegdheid om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het asielverzoek overgelegde asielrelaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van eiseres of het reële risico voor haar op ernstige schade bij terugkeer naar haar land van herkomst, en over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. De rechtbank toetst niet alleen het bestreden besluit, maar moet ook een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling verrichten.

3.1.

De rechtbank zal hierbij eerst beoordelen of de besluitvorming zorgvuldig heeft plaatsgevonden, vervolgens of het asielrelaas (on)geloofwaardig is en tot slot of de vrees voor vervolging of het risico op ernstige schade is gebaseerd op een redelijke mate van waarschijnlijkheid. De rechtbank sluit met deze wijze van beoordelen aan bij de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats over de beoordeling van asielverzoeken door de rechter naar aanleiding van de arresten Quotal en Ebilum.

Het asielrelaas

4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is ahmadi. Ahmadi’s beschouwen zichzelf als moslims maar geloven dat er profeten na Mohammed kunnen volgen. Eiseres kon haar geloof in Pakistan niet uitoefenen zoals ze wil. Ze bad en vastte stiekem maar kon niet openlijk voor haar geloof uitkomen of meedoen aan religieuze activiteiten. Ze was bang, werd gediscrimineerd, kon niet alleen over straat en kon niet studeren. Eiseres vreest dat ze bij terugkeer wordt gearresteerd of zelfs vermoord.

Het bestreden besluit

De asielmotieven

5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

  • de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;

  • dat eiseres ahmadi is;

  • dat eiseres problemen had in Pakistan omdat ze ahmadi is.

5.1.

Eiseres heeft in beroep geen andere asielmotieven naar voren gebracht. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid en zwaarwegendheid van het asielrelaas daarom uit van de asielmotieven die zij in het nader gehoor naar voren heeft gebracht.

De relevante elementen

6. De minister vindt alle asielmotieven geloofwaardig. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om hier anders over te oordelen.

Heeft de minister het besluit zorgvuldig voorbereid?

7. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit op zeer onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen omdat haar niet is gevraagd hoe eiseres haar geloof zou willen belijden als zij naar Pakistan zou moeten terugkeren, terwijl dat juist belangrijk is.

7.1.

Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister erkend dat aan eiseres niet is gevraagd hoe zij haar geloof bij terugkeer zou willen belijden. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat toch geen sprake is van een besluit dat onzorgvuldig is voorbereid, omdat de minister in het bestreden besluit de wijze waarop eiseres haar geloof uitoefent wel uitvoerig heeft besproken.

7.2.

Deze beroepsgrond slaagt. Dat het voor eiseres van bijzonder belang is om in het openbaar een bepaalde godsdienstige praktijk te beleven, is een relevante factor bij de beoordeling van de vrees bij terugkeer. Hoe eiseres bij terugkeer uiting wil geven aan haar geloofsovertuiging, is dus een wezenlijk onderdeel van de beantwoording van de vraag of eiseres een gegronde vrees voor vervolging heeft. De minister heeft niets gevraagd over hoe eiseres in Pakistan haar geloof wil uitoefenen. Daarmee heeft de minister ten onrechte niet actief concrete vragen gesteld om te onderzoeken en te kunnen beoordelen of eiseres een gegronde vrees voor vervolging heeft. Anders dan de minister aanvoert, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank ook niet uitvoerig besproken hoe eiseres haar geloof uitoefent. In het voornemen en het bestreden besluit heeft de minister op dit punt overwogen dat het feit dat eiseres in Pakistan haar geloof niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland geen daad van vervolging oplevert, dat eiseres haar geloof in Pakistan zonder problemen heeft kunnen praktiseren en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt waarom haar geloofsuitoefening in haar individuele geval leidt tot een gegronde vrees voor vervolging. Dat zijn algemene standpunten die niet concreet ingaan op hoe eiseres bij terugkeer uitoefening wil geven aan haar geloofsovertuiging. Om deze reden is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid.

Heeft eiseres een gegronde vrees voor vervolging vanwege haar geloof?

8. Eiseres voert aan dat haar vrijheid van godsdienst in Pakistan zodanig wordt beperkt dat dit leidt tot vervolging. Daarbij wijst eiseres op diverse bronnen over de steeds verslechterende situatie van ahmadi’s in Pakistan. Eiseres leefde in Pakistan uit angst zoveel mogelijk binnen en kon haar geloof niet openlijk en ook niet in de privésfeer belijden. Zij kon alleen maar in het geheim bidden en vasten. Eiseres zou zich ahmadi willen noemen, naar de moskee willen gaan om te bidden, bijeenkomsten willen bijwonen, religieuze feestdagen willen vieren, in de koran willen lezen en met anderen over haar geloof willen praten.

8.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat het feit dat eiseres ahmadi is, niet voldoende is om haar als vluchteling aan te merken. Eiseres heeft haar vrees namelijk onvoldoende individueel concreet gemaakt. Dat eiseres in Pakistan haar religie niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland, levert nog geen gegronde vrees voor vervolging op. Eiseres heeft het overgrote deel van haar leven haar geloof zonder problemen kunnen praktiseren. Eiseres heeft niet toegelicht wat de bronnen over de situatie van ahmadi’s in Pakistan betekenen voor haar persoonlijke situatie. Dat andere ahmadi’s in Nederland internationale bescherming hebben gekregen, betekent niet dat dit ook voor eiseres geldt.

8.2.

De rechtbank stelt vast dat eiseres als vluchteling kwalificeert indien zij een gegronde vrees voor vervolging heeft wegens haar godsdienst en de bescherming van de Pakistaanse autoriteiten niet kan of wil inroepen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is van belang hoe eiseres bij terugkeer naar Pakistan haar geloof wil uiten. Van eiseres mag niet worden verlangd dat zij afziet van een bepaalde godsdienstige praktijk om een gevaar voor vervolging uit de weg te gaan.

8.3.

De rechtbank zal eerst de landeninformatie over de situatie van ahmadi’s in Pakistan bespreken omdat de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging tegen de achtergrond van de landeninformatie moet worden bezien. Hierbij merkt de rechtbank op dat de minister de landeninformatie over de situatie van de ahmadi’s slechts beperkt heeft betrokken.

8.3.1.

Uit informatie van de UK Home Office van maart 2025, geüpdatet op 25 september 2026, volgt dat ahmadi’s niet als moslims worden gezien, zichzelf geen moslim mogen noemen, hun religieuze opvattingen niet mogen prediken of verspreiden, anderen niet mogen overtuigen van hun geloof, de religieuze gevoelens van moslims niet mogen beledigen en hun gebedshuizen niet ‘moskeeën’ mogen noemen. Human Rights Watch heeft beschreven dat ahmadi’s een belangrijk doel van vervolging onder wetten tegen godslastering en specifieke anti-ahmadiwetgeving zijn gebleven. Militante groepen en de extremistische moslimpartij Tehreek-e-Labbaik (TLP) hebben ahmadi’s ervan beschuldigd zich voor te doen als moslim, wat strafbaar is. Experts van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties waarschuwden in juli 2024 voor toegenomen geweld en discriminatie tegen ahmadi’s in Pakistan, naar aanleiding van berichten over buitengerechtelijke executies, willekeurige arrestaties en aanvallen op gebedsplaatsen. Uit het algemeen ambtsbericht Pakistan van 5 juli 2024 volgt dat de situatie van ahmadi’s tussen 2022 en 2024 verder is verslechterd. Ahmadi’s zijn doelwit gebleven van (valse) beschuldigingen van godslastering. Ahmadi’s en hun graven, moskeeën en andere religieuze plaatsen zijn aangevallen. De Pakistaanse wet verbiedt ahmadi’s om dieren te offeren. Vooral in de provincie Punjab worden ahmadi’s veel vervolgd. Ook in Chenab Nagar, voorheen Rabwah genoemd, de enige stad waar ahmadi’s geen minderheid vormen, hebben ahmadi’s te maken met vijandigheid en discriminatie. Ahmadi’s worden op basis van hun geloof als afvallig gezien. De Pakistaanse samenleving staat zeer negatief tegenover afvalligen. Afvalligen kunnen heel eenvoudig voor godslastering worden aangeklaagd, waar zware straffen tot aan de doodstraf op staan. Ahmadi’s lopen nog grotere risico’s dan andere afvalligen.

8.4.

De minister merkt de ahmadi’s in Pakistan aan als risicoprofiel en neemt aan dat het niet mogelijk is voor ahmadi’s om de bescherming van de autoriteiten en internationale organisaties te krijgen.

8.5.

De rechtbank oordeelt dat eiseres een gegronde vrees voor vervolging heeft wegens uitoefening van haar godsdienst. Eiseres heeft verklaard dat zij haar geloof wil uitoefenen door naar de moskee te gaan, daar te bidden als moslim, zich ahmadiyya moslim te noemen, met anderen over haar geloof te praten, in het openbaar bijeenkomsten van haar gemeenschap bij te wonen en religieuze boeken te lezen. Dat is echter in Pakistan niet toegestaan. Gelet op bovenstaande landeninformatie, mag eiseres zichzelf immers geen moslim noemen, mag zij het ahmadiyya gebedshuis geen ‘moskee’ noemen, mag zij anderen niet overtuigen van haar geloof en mag zij niet haar religieuze opvattingen verspreiden. Eiseres zou doelwit kunnen worden van anti-godslasteringswetten en anti-ahmadiwetten, met mogelijk zware straffen tot gevolg. Eiseres heeft daarbij niet alleen te vrezen van de Pakistaanse autoriteiten, maar ook van de samenleving als geheel en extremistische partijen in het bijzonder. Daar komt bij dat eiseres uit Chenab Nagar in de provincie Punjab komt, waar ahmadi’s veel worden vervolgd en niet veilig zijn. Dat de minister eiseres tegenwerpt dat zij bij terugkeer naar Pakistan haar geloof op dezelfde manier kan blijven uitoefenen als zij voorheen in Pakistan deed, is niet terecht. Hoe eiseres haar geloof in Pakistan uitoefende is immers niet van belang voor de vraag of eiseres bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging; het gaat erom hoe eiseres haar geloof wil kunnen uitoefenen in Pakistan. Eiseres heeft ook verklaard dat zij haar geloof in Pakistan terughoudend heeft geuit omdat zij anders zou worden gestraft op grond van de anti-ahmadiwetgeving, maar van eiseres mag niet worden verwacht dat zij haar geloof terughoudend uitoefent. De rechtbank oordeelt dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid is dat eiseres bij terugkeer wordt blootgesteld aan vervolging.

8.6.

Eiseres kan geen bescherming krijgen van de Pakistaanse autoriteiten. De minister erkent dit ook, en de rechtbank heeft geen aanknopingspunten om hier anders over te oordelen.

8.7.

De rechtbank komt tot de conclusie dat eiseres moet worden aangemerkt als vluchteling. De beroepsgrond van eiseres slaagt.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat eiseres een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege haar geloof. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

9.1.

Eiseres voert in beroep ook aan dat de ahmadi’s als groep worden vervolgd, zodat eiseres ook los van haar individuele situatie een gegronde vrees voor vervolging heeft, en dat eiseres zodanige discriminatie heeft ondervonden dat deze als daad van vervolging kwalificeert. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen belang meer heeft bij een oordeel over deze beroepsgronden. De rechtbank is immers al tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dat eiseres een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege haar geloof.

9.2.

De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat aan eiseres internationale bescherming moet worden verleend. Naar het oordeel van de rechtbank is immers voldaan aan de voorwaarden voor het toekennen van de vluchtelingenstatus.

9.3.

De rechtbank draagt de minister met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb op om binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiseres een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig haar vluchtelingenstatus te verstrekken.

9.4.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 17 september 2025;

- bepaalt dat eiseres internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus als bedoeld in artikel 13 in verbinding met hoofdstukken II en III van de Kwalificatieverordening geniet met ingang van de datum van haar aanvraag;

- draagt de minister op om overeenkomstig artikel 13 in verbinding met hoofdstukken II en III en artikel 24 van de Kwalificatieverordening in samenhang bezien met de toepasselijke Nederlandse uitvoeringswetgeving binnen een periode van 90 dagen na heden aan eiseres een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig de vluchtelingenstatus te verstrekken;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Jongmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447 (Quotal) en HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448 (Ebilum). Rb. Den Haag, zittingsplaats Zwolle, 14 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:26828 en Rb. Den Haag, zittingsplaats Zwolle, 14 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:26829. HvJ EU 5 september 2012, ECLI:EU:C:2012:518, punt 70 (Y en Z). ABRvS 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667, r.o. 2.8. ABRvS 20 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2875, r.o. 2.2-2.3. Artikel 3:2 van de Awb. Artikel 1, onder A, aanhef en onder 2, van het Vluchtelingenverdrag, zoals aangevuld door het Protocol van New York, en artikel 3, aanhef en onder 5, van de Kwalificatieverordening. HvJ EU 5 september 2012, ECLI:EU:C:2012:518, punten 78 en 79 (Y en Z). ‘Country policy and information note: Ahmadis, Pakistan, March 2025’, hoofdstuk 7. ‘World Report 2025. Events of 2024’ p. 354. ‘Pakistan: Experts urge immediate end to discrimination and violence against Ahmadis’, 25 juli 2024. Algemeen ambtsbericht Pakistan 5 juli 2024, p. 67-68. Algemeen ambtsbericht Pakistan 5 juli 2024, p. 69. Paragraaf C9/27.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, deel C. Paragraaf C9/27.5.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, deel C. ABRvS 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2667, r.o. 2.8.