Vreemdelingenrecht

Buitenbehandelingstelling. De minister heeft de asielaanvraag van eiser buiten behandeling kunnen stellen…

Rechtbank Den Haag, 19 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 19 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
19 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.57401 en NL25.57402
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30796
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Buitenbehandelingstelling. De minister heeft de asielaanvraag van eiser buiten behandeling kunnen stellen omdat eiser niet heeft onderbouwd zich, na een MOB-melding, te hebben gemeld bij de autoriteiten.

Daarnaast heeft eiser door met onbekende bestemming te vertrekken, zijn aanvraag impliciet ingetrokken in de zin van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b van de Procedurerichtlijn. De minister is daarom aan een beoordeling van zijn persoonlijke risicoverhogende omstandigheden terecht niet toegekomen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.57401 (beroep) en NL25.57402 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen


[eiser] , eiser/verzoeker (eiser)

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).

Inleiding

1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 november 2025 deze aanvraag buiten behandeling gesteld.

1.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

1.2.

De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Bal-Ponne als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst in afwachting van uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats over de algemene veiligheidssituatie in Syrië.

1.3.

De meervoudige kamer heeft op 11 september 2026 uitspraak gedaan in twee zaken over de algemene veiligheidssituatie in Syrië. De rechtbank heeft partijen op 16 september 2026 in de gelegenheid gesteld om op deze uitspraken te reageren.

1.4.

Eiser heeft op 30 september 2026 aanvullende gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 5 oktober 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Vervolgens heeft de rechtbank op 9 oktober 2026 het onderzoek gesloten en bepaald dat zij binnen twee weken uitspraak zou doen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

2. Eiser heeft op 9 november 2023 asiel aangevraagd. Hij stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2007. Omdat eiser in eerste instantie een geboortedatum van [geboortedatum 2] 2000 heeft opgegeven, heeft de minister deze geboortedatum gehanteerd. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag onder andere ten grondslag gelegd dat zijn huis in [plaats] is gebombardeerd en dat hij uit Syrië is gevlucht vanwege de algemene veiligheidssituatie.

Het bestreden besluit en wat daaraan voorafging

3. Op 5 september 2025 heeft de minister een voornemen uitgebracht, inhoudende dat de aanvraag van eiser buiten behandeling wordt gesteld omdat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) heeft laten weten dat eiser op 13 mei 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser bleek in strafrechtelijke detentie te zitten en heeft daar op 24 september 2025 een nader gehoor gehad. Op 16 oktober 2025 is eiser uit detentie vrijgelaten. Hij heeft zich daarna niet opnieuw gemeld bij het COa.

3.1.

Vervolgens heeft de minister op 30 oktober 2025 opnieuw een voornemen tot buitenbehandelingstelling uitgebracht. In het voornemen staat dat de gemachtigde van eiser heeft laten weten dat hij geen contact meer met hem heeft en dat eiser twee weken de tijd heeft om contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten. In de zienswijze heeft de gemachtigde echter laten weten dat hij nog wel contact met eiser heeft en dat hij eiser heeft geadviseerd zich te melden bij het aanmeldcentrum in Ter Apel.

3.2.

In het bestreden besluit van 17 november 2025 heeft de minister de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken en zich niet meer bij de bevoegde autoriteiten heeft gemeld. In het besluit is tegen eiser ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarin staat dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten.

Toepasselijk recht

4. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact in werking getreden. De aanvraag en het bestreden besluit dateren echter van vóór die datum zodat daarop het oude recht van toepassing is.

De beroepsgronden van eiser

5. Eiser voert aan dat de minister de aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld omdat hij immers nog contact had met zijn gemachtigde. Hij heeft zich wel gemeld bij het aanmeldcentrum in Ter Apel, maar daar werd hij doorverwezen naar een handhaving- en toezichtlocatie (HTL). Hij wilde niet naar de HTL vanwege zijn eerdere ervaringen daar, dus hij is daar niet naartoe gegaan.

5.1.

In artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw staat dat een aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld indien de vreemdeling is verdwenen of zonder toestemming van de minister is vertrokken en hierover toerekenbaar niet binnen twee weken contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten. Dit is een implementatie van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag buiten behandeling heeft kunnen stellen. Ook al heeft eiser in de periode voorafgaand aan het besluit contact gehad met zijn gemachtigde, blijft staan dat niet is gebleken dat hij zich heeft gemeld bij de autoriteiten. Zijn stelling dat hij zich weer in Ter Apel heeft gemeld, heeft hij immers niet kunnen onderbouwen. Op zitting bleek dat ook zijn advocaat daar niets van wist. Er is dus voldaan aan de eisen van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.

Het terugkeerbesluit

6. Het bestreden besluit houdt in dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Volgens de minister levert dat geen schending van het verbod op non-refoulement op, aangezien in Syrië sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, waardoor het aan eiser zelf is om aannemelijk te maken waarom er bij hem sprake is van risicoverhogende omstandigheden. Door met onbekende bestemming te vertrekken heeft hij de minister de kans ontnomen om het onderzoek naar een eventueel risico af te ronden.

6.1.

Omdat het beginsel van non-refoulement altijd geëerbiedigd moet worden, ziet de rechtbank aanleiding ambtshalve te onderzoeken of eiser bij terugkeer naar Syrië een dergelijk risico loopt. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in genoemde uitspraken van 11 september 2026 geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De rechtbank heeft echter niet zelf vastgesteld dat sprake is van een uitzonderlijke mate van willekeurig geweld, die maakt dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in Syrië al een reëel risico loopt op ernstige schade. Zolang geen sprake is van die uitzonderlijke mate van willekeurig geweld, moet het refoulementrisico worden beoordeeld aan de hand van risicoverhogende omstandigheden, die door eiser zelf moeten worden aangevoerd. Door met onbekende bestemming te vertrekken, heeft eiser echter zijn aanvraag impliciet ingetrokken in de zin van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b van de Procedurerichtlijn, zodat de minister aan een beoordeling van zijn persoonlijke risicoverhogende omstandigheden terecht niet is toegekomen. Er is dan ook niet gebleken dat eiser niet kan terugkeren naar Syrië.


Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nummer NL25.57401,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL25.57402,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

ECLI:NL:RBDHA:2026:26486 en ECLI:NL:RBDHA:2026:26487. Richtlijn 2013/32 EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking).