Vreemdelingenrecht

Verzet is ongegrond; beroepsgronden niet binnen de termijn ingediend; geen verschoonbaarheid.

Rechtbank Den Haag, 23 juni 2026

Zaakgegevens

Op 23 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
23 juni 2026
Datum publicatie
20 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.1635 V
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30866
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzet is ongegrond; beroepsgronden niet binnen de termijn ingediend; geen verschoonbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.1635 V


uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van


[opposant] , V-nummer: [V-nummer], opposant

(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 juli 2025 in het geding tussen

opposant

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 16 juli 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.

1.1.

De rechtbank heeft het verzet op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (referent) en de gemachtigde van opposant. Verweerder is met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 16 juli 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat opposant geen beroepsgronden heeft vermeld in zijn beroepsschrift. Opposant is in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen, maar zij heeft dit niet tijdig gedaan.

4. In zijn verzetschrift voert opposant aan dat binnen de hersteltermijn een verkeerd bestand is geüpload genaamd “[geslachtsnaam] beroep”, en dat deze bij vergissing is verwisseld met het correcte bestand genaamd “[geslachtsnaam] gronden beroepschrift” waarin wel de beroepsgronden staan. In verzet legt opposant de beroepsgronden over. Aangezien binnen de hersteltermijn niet alleen het verkeerde bestand maar ook de beschikking in het dossier zijn geplaatst, is volgens opposant duidelijk dat deze stukken in reactie op het herstelverzuim zijn verzonden. Dit had aanleiding moeten zijn voor de rechtbank om navraag te doen bij de gemachtigde, temeer omdat de bestanden ruim binnen de hersteltermijn zijn ingediend waardoor er nog tijd was om het gebrek te herstellen.

5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5.1.

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van die wet of aan enig ander bij die wet gestelde vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Volgens artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder c, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken, vindt niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb lid slechts plaats, indien dit verzuim niet verschoonbaar is.

5.2.

Het staat vast dat opposant de gronden van haar beroep niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend. Een overschrijding van een dergelijke termijn leidt er, gelet ook op wat hiervoor is overwogen, in beginsel toe dat wordt geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is. Daartoe bestaan, uit een oogpunt van ordelijke procesvoering, ook goede redenen. Dit kan bijvoorbeeld anders zijn wanneer sprake is van een bijzonder samenstel van uitzonderlijke omstandigheden. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat wanneer iemand – zoals in dit geval – is bijgestaan door een professionele gemachtigde de lat hoger ligt dan bij iemand die zonder gemachtigde procedeert.

5.3.

De rechtbank ziet in wat is aangevoerd geen reden om het overschrijden van de termijn voor het indienen van de beroepsgronden verschoonbaar te achten. Er is namelijk geen sprake van bijzondere omstandigheden die de gemachtigde hebben verhinderd om tijdig de gronden van beroep in te dienen. De rechtbank begrijpt dat er in een juridische praktijk soms iets mis kan gaan. Waar mensen werken, kunnen fouten worden gemaakt. Dit maakt echter niet dat het niet tijdig indienen van de beroepsgronden vanwege een verwisseling van bestanden bijzonder is in voornoemde zin, ook al stelt opposant dat het ingediende verwisselde bestand wel tijdig was. De fout van de in dit geval professionele gemachtigde komt voor rekening en risico van opposant.

Conclusie en gevolgen

6. De grond van het verzet slaagt niet, omdat de rechtbank geen aanleiding ziet om anders te oordelen dan in de uitspraak van 16 juli 2025. Het verzet is ongegrond, dat betekent dat de uitspraak van 16 juli 2025 in stand blijft.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1059, ov. 3.1. Vergelijk ook de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:374, ov. 4.3.