Vreemdelingenrecht
Aanvraag visum kort verblijf afgewezen, twijfel over tijdige terugkeer. Beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31629 · Rechtbank Den Haag · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31629
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL24.29524
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31629
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Aanvraag visum kort verblijf afgewezen, twijfel over tijdige terugkeer. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29524
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een visum voor kort verblijf. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit stand houdt. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres heeft de Iraanse nationaliteit. Zij heeft op 26 september 2023 een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf. Zij wil haar dochter [persoon A] (referente) in Nederland bezoeken. Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 19 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiseres, [persoon B] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres gehandhaafd. Hieraan liggen twee weigeringsgronden ten grondslag, te weten: (1) eiseres heeft het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet voldoende aangetoond en (2) er bestaat redelijke twijfel over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten.
De beroepsgronden
7. Eiseres betoogt dat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf wel degelijk heeft aangetoond. Zij vindt verder dat verweerder ten onrechte twijfelt over haar tijdige terugkeer naar Iran. Zij stelt een sterke sociale binding (in de vorm van haar dochter, kleinkinderen, broers, zussen, ooms, tantes, neefjes, nichtjes, vrienden) en economische binding (in de vorm van salaris voor haar werk als CEO, pensioen, spaargeld, onroerend goed) met Iran te hebben. Eiseres voert voorts aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.
De beoordeling
Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf
8. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij eiseres niet langer tegenwerpt dat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet voldoende heeft aangetoond. De rechtbank zal dit daarom onbesproken laten.
Twijfel over tijdige terugkeer
9. De rechtbank overweegt allereerst dat voor een kort verblijf in Nederland van maximaal 90 dagen voor een vreemdeling afkomstig uit Iran, een visum nodig is. Een visum wordt onder meer geweigerd als er redelijke twijfel bestaat over onder meer het voornemen van de vreemdeling om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Dit volgt uit artikel 32, eerste lid, onder b, van de Verordening (EG) Nr. 810/2009 van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (de Visumcode). Als deze grond zich voordoet, is dat voldoende om het visum te weigeren. Daarbij heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge en kan de rechtbank het bestreden besluit slechts terughoudend toetsen (zie hiervoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, zaak C-84/12, Koushkaki, ECLI:EU:C:2013:862).
10. In het kader van de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het tijdig verlaten van het grondgebied van de lidstaten, moet verweerder kijken naar de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, waaronder met name de sociale en economische binding met het land van herkomst. Verweerder hoeft daarbij geen zekerheid te verkrijgen over het voornemen van de aanvrager om Nederland tijdig te verlaten; de redelijke twijfel over dat voornemen volstaat. Zie voormeld arrest in de zaak van Koushkaki (punten 68 en 69).
11. Verweerder heeft bij de vraag naar de sociale binding betrokken dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit 62 jaar oud was, alleenstaand (gescheiden) is en twee volwassen dochters heeft, waaronder referente. Referente woont in Nederland. De andere dochter van eiseres woont in Iran, net als de kleinkinderen en overige familie van eiseres. Gelet op de leeftijd van de in Iran wonende dochter mag verweerder verwachten dat zij niet meer afhankelijk is van (de zorg van) eiseres. Eiseres heeft ook niet gesteld dat zij een zorgplicht heeft jegens haar dochter in Iran. Voor zover eiseres stelt dat zij een zorgplicht heeft jegens haar in Iran woonachtige kleinkinderen, wordt overwogen dat de dochter van eiseres in Iran weliswaar heeft aangegeven dat eiseres op haar kinderen past als zij en haar echtgenoot werken, maar dat niet is gebleken dat eiseres daadwerkelijk voor haar kleinkinderen zorgt of dat niemand anders dit kan. Verweerder stelt daarom terecht dat geen sprake is van een achterblijvend gezin waarvoor eiseres de verantwoordelijkheid draagt. Verder is niet gesteld of gebleken dat eiseres zorg verleent aan andere familieleden of dat eiseres in Iran andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen heeft die haar nopen tijdig naar dat land terug te keren. Verweerder heeft tegen deze achtergrond kunnen overwegen dat de stellingen dat eiseres haar hele leven in Iran heeft gewoond en zij een stabiel leven leidt en het op de leeftijd van eiseres niet aantrekkelijk is om te emigreren, van onvoldoende gewicht zijn om te kunnen concluderen dat tijdige terugkeer vanwege sociale binding gewaarborgd is te achten.
Eiseres heeft, om haar economische binding met Iran te onderbouwen, een verklaring van [bedrijf X] overgelegd. Daarin staat dat zij CEO is en dat zij maandelijks 120,000,000 IRR (€ 2.634,-) ontvangt. Eiseres heeft in bezwaar bankafschriften overgelegd en gewezen op bijschrijvingen van 55,681,540 IRR (op 13 maart 2024), 76,786,679 IRR (op 17 april 2024) en 102,328,857 IRR (op 18 mei 2024). Uit de bankafschriften blijkt echter niet wat de herkomst van deze bijschrijvingen is. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het een feit van algemene bekendheid is dat op bankafschriften uit Iran niet de herkomst van bijschrijvingen vermeld wordt. Voor zover dit al zo is, mocht bovendien van eiseres worden verwacht dat zij op een andere manier zou onderbouwen dat de bedragen afkomstig zijn van [bedrijf X] , zoals zij stelt. Eiseres heeft dit echter niet gedaan. Verweerder heeft er verder op gewezen dat de bedragen van de bijschrijvingen niet overeenkomen met het in de werkgeversverklaring genoemde inkomen van 120,000,000 IRR per maand. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat de afwijkende bedragen het gevolg zijn van overwerk en extra vergoedingen. Nog daargelaten dat de op de bankrekening ontvangen bedragen lager zijn dan de in de verklaring vermelde maandelijkse inkomsten en de verschillen dus niet zonder meer kunnen worden verklaard door overwerk en extra vergoedingen, heeft eiseres haar stelling niet onderbouwd. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eiseres met de overgelegde verklaring en haar bankafschriften niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk economisch actief is en een inkomen genereert vanuit [bedrijf X] .
Eiseres heeft verder bankafschriften overgelegd van de Mehr Iran Loan Bank over de periode van 20 juni 2023 tot 17 september 2023. Daarop is het beginsaldo 968,873,331 IRR (€ 21.272,-). Het eindsaldo is 4,562,800,904 IRR (€ 100.181,-). In de periode van 9 september 2023 tot 17 september 2023 zijn stortingen gedaan van 100,000,000 IRR, 640,000,000 IRR, 3,000,000,000 IRR, 80,000,000 IRR en 520,000,000 IRR. De herkomst van deze stortingen is niet zichtbaar. Eiseres heeft in de bezwaarfase aangegeven dat deze stortingen verband houden met een stuk grond dat is verkocht en waarvan de koopsom in delen aan haar is betaald. Zij heeft daarbij gewezen op een bij de visumaanvraag overgelegde verkoopakte. Verweerder heeft er echter op gewezen dat uit de verkoopakte blijkt dat het stuk grond in 2013 al is overgedragen tegen een bedrag van 880,000,000 IRR, zodat ook als dat bedrag in delen zou zijn betaald over een aantal jaren, dit geen verklaring is voor de hoge bedragen die op de rekening van eiseres zijn gestort in september 2023. Ter zitting heeft referente gesteld dat de genoemde stortingen uit september 2023 niet het gevolg zijn van het in 2013 verkochte stuk grond, maar dat deze stortingen zien op de verkoop van zogenoemde fertilizers. Zij heeft in dit kader toegelicht dat haar moeder directeur is van een bedrijf dat fertilizers verkoopt, dat zij ook aandeelhouder is in dit bedrijf en dat zij ook mag handelen. Nog daargelaten dat deze verklaring afwijkt van de in bezwaar afgelegde verklaring over de stortingen, heeft eiseres haar stellingen over de fertilizers niet onderbouwd. Verweerder kan daarom worden gevolgd in zijn standpunt dat eiseres de herkomst van de stortingen niet aannemelijk heeft gemaakt.
Niet in geschil is dat eiseres in Iran een pensioenuitkering geniet en onroerend goed bezit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich echter op het standpunt kunnen stellen dat eiseres hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een dusdanig sterke economische binding met Iran heeft dat haar terugkeer op grond daarvan voldoende gewaarborgd is te achten. Met de enkele stelling van eiseres dat zij vanuit het buitenland niet aan het geld op haar Iraanse bankrekening kan komen en ook haar onroerend niet goed kan beheren, vanwege de strenge politieke sancties tegen Iran, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar pensioeninkomsten en haar onroerend goed zal moeten terugkeren naar Iran.
13. Verweerder heeft de sociale en de economische binding in samenhang bekeken en in redelijkheid het standpunt ingenomen dat de binding van eiseres met Iran ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende garantie vormt dat zij tijdig naar dat land zal terugkeren. Dat eiseres al eerder, in 2017, met een visum naar Duitsland is gereisd en toen tijdig is teruggekeerd, maakt het voorgaande niet anders. Verweerder diende de visumaanvraag immers te beoordelen aan de hand van de ten tijde van het bestreden besluit geldende feiten en omstandigheden. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van eiseres op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 augustus 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:12347) niet.
Hoorplicht
14. Uit vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, volgt dat verweerder slechts in uitzonderlijke gevallen van het horen in bezwaar kan afzien. Hierbij is onder meer van belang hoe de vreemdeling zich heeft opgesteld in de bezwaarprocedure. Als een vreemdeling actief inspanningen heeft verricht om informatie te leveren en met verweerder heeft gecommuniceerd om informatie naar boven te krijgen, moet verweerder sneller aanleiding zien om hem te horen.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder van het horen van eiseres of referente af kunnen zien. Verweerder heeft in het primaire besluit aangegeven dat de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende zijn. Ten aanzien van wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd met betrekking tot de sociale en economische binding, heeft verweerder kunnen stellen dat op voorhand vast stond dat dit niet kon leiden tot een andere beslissing. Eiseres heeft in bezwaar geen relevante nieuwe informatie verstrekt of stukken overgelegd die nieuw licht laten schijnen op haar economische en sociale binding met Iran die verweerder hadden moeten nopen tot het houden van een hoorzitting. Zo heeft zij in bezwaar bijvoorbeeld geen duidelijke onderbouwing gegeven voor haar werkzaamheden en inkomsten.
Conclusie en gevolgen
16. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.