Vreemdelingenrecht
Partijen zijn het erover eens dat verzoeker voorlopig niet moet worden overgedragen aan Duitsland. Toewijzing…
Rechtbank Den Haag, 21 januari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:3817 · Rechtbank Den Haag · 21 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-3817
Zaakgegevens
Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 januari 2026
- Datum publicatie
- 26 februari 2026
- Zaaknummer
- NL26.2776
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3817
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Partijen zijn het erover eens dat verzoeker voorlopig niet moet worden overgedragen aan Duitsland. Toewijzing voorlopige voorziening.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2776
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [naam]).
Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is.
Op 22 december 2025 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld.
Op 14 januari 2026 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Op 19 januari 2026 heeft verzoeker de mondelinge kennisgeving gekregen dat hij op
22 januari 2026 zal worden overgedragen aan Duitsland. Op 20 januari 2026 is deze geplande overdracht schriftelijk bevestigd.
Op 19 januari 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om uitspraak te doen in de voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij aan Duitsland wordt overgedragen voordat op zijn beroep is beslist.
Verweerder heeft ingestemd met het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet vanwege onverwijlde spoed uitspraak zonder zitting.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
3. Wanneer tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen als verzoeker daarom vraagt. Dit kan alleen als er sprake is van onmiddellijke spoed. Dit betekent dat de beslissing op het beroep absoluut niet kan worden afgewacht. Om dit te beoordelen moet de voorzieningenrechter de belangen van verzoeker afwegen tegen de belangen van verweerder.
4. Verweerder heeft telefonisch en in de in het dossier geüploade brief van 20 januari 2026 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
5. Nu partijen het er over eens zijn dat verzoeker voorlopig niet moet worden overgedragen aan Duitsland, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt uitzetting tot vier weken nadat op het beroep is beslist.
6. Omdat de gemachtigde van verzoeker niet met het instellen van beroep maar eerst op 14 januari 2026 een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend, was de gemachtigde van verzoeker genoodzaakt de voorzieningenrechter te verzoeken de voorlopige voorziening te treffen. Daarom is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.