Vreemdelingenrecht
Derdelander Oekraïne, beroep tegen terugkeerbesluit. Beroep tegen eerdere terugkeerbesluit niet-ontvankelijk…
Rechtbank Den Haag, 28 januari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:4277 · Rechtbank Den Haag · 28 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-4277
Zaakgegevens
Op 28 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 januari 2026
- Datum publicatie
- 4 maart 2026
- Zaaknummer
- NL24.8946
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4277
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Derdelander Oekraïne, beroep tegen terugkeerbesluit. Beroep tegen eerdere terugkeerbesluit niet-ontvankelijk, beroep tegen nieuw terugkeerbesluit ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8946
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het aan haar opgelegde terugkeerbesluit.
Verweerder heeft met het besluit van 21 februari 2024 aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat zij binnen vier weken na 4 maart 2024 Nederland moet verlaten.
Vervolgens heeft verweerder met het besluit van 10 juli 2025 het besluit van 21 februari 2024 ingetrokken en aan eiseres een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Hierin heeft verweerder bepaald dat eiseres binnen vier weken na 4 september 2025 Nederland moet verlaten.
Verweerder heeft op 13 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen laten weten een zitting niet nodig te vinden en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
Op 21 februari 2024 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 februari 2024. Verweerder heeft dat besluit ingetrokken en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervangen met het besluit van 10 juli 2025. Het beroep van eiseres heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb automatisch betrekking op het nieuw genomen besluit.
Met het nieuwe besluit van 10 juli 2025 heeft verweerder eiseres een terugkeerbesluit opgelegd omdat zij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – twee gronden aan. Ten eerste is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen aangezien er sprake is van een toezegging aan de facultatief beschermden en daarmee een ongerechtvaardigd onderscheid. Eiseres verwijst in dit kader naar een noot, waar verweerder ten onrechte aan voorbij is gegaan. Ten tweede heeft verweerder ten onrechte de individuele feiten en omstandigheden van eiseres niet meegenomen in de belangenafweging.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
5. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 10 juli 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 10 juli 2025 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb inhoudelijk beoordelen. Nu verweerder het besluit van
21 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiseres heeft wel recht op een vergoeding van haar proceskosten.
Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 10 juli 2025
Het terugkeerbesluit
6. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder de aan haar verleende facultatieve bescherming niet heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen, ook niet in de verwijzing naar het artikel van mr. dr. Grütters.
Uit de uitspraken van de Afdeling en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen rechtmatig verblijf had op 10 juli 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen.
Voor zover eiseres stelt dat zij in Nederland werkt, studeert en haar leven hier zo goed en compleet mogelijk probeert voort te zetten, en zij daarmee een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat dit geen reden is om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat het hier gaat om een terugkeerbesluit na het van rechtswege aflopen van tijdelijke bescherming, waar geen plaats is voor een individuele belangenafweging. Als eiseres vindt dat zij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op privéleven, zoals dat volgt uit artikel 8 van het EVRM, kan zij een daartoe strekkende aanvraag indienen.
Het non-refoulement beginsel
7. Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiseres een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Nigeria.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het terugkeerbesluit op goede gronden heeft opgelegd.
9. Nu verweerder het besluit waartegen eiseres beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
-
verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 10 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.