Vreemdelingenrecht

Beroep tegen terugkeerbesluit en voornemen inreisverbod. Geen beroep tegen voornemen mogelijk, geen gronden…

Rechtbank Den Haag, 6 maart 2026

Zaakgegevens

Op 6 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
6 maart 2026
Datum publicatie
23 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25/17375
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6201
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep tegen terugkeerbesluit en voornemen inreisverbod. Geen beroep tegen voornemen mogelijk, geen gronden gericht tegen terugkeerbesluit. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 25/17375


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Op 17 augustus 2025 heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van 28 dagen. Dezelfde dag heeft verweerder een ‘voornemen inreisverbod’ voor de duur van een jaar uitgebracht.

Eiseres heeft beroep ingesteld.

Verweerder heeft het voornemen inreisverbod ingetrokken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en doet met (impliciete) toestemming van partijen uitspraak zonder zitting. Dit kan op grond van 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Eiseres stelt in haar beroepschrift – heel kort samengevat – dat haar persoonlijke omstandigheden maken dat het voornemen om haar een inreisverbod op te leggen onevenredig uitpakt. Tegen het terugkeerbesluit heeft zij geen gronden gericht.

2. Het voornemen tot het opleggen van een inreisverbod is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hiertegen kan dus geen beroep worden ingesteld. Bovendien is het voornemen in de tussentijd ingetrokken.

3. Voor zover eiseres beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit, zoals uit de onderwerpregel van haar brief lijkt te volgen, is dit beroep ongegrond omdat zij geen gronden tegen het terugkeerbesluit heeft gericht.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van

A.R.M. Scheeres, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.