Vreemdelingenrecht

Eisers komen uit Pakistan. Zij willen een visa voor kort verblijf in Nederland voor vakantie. Verweerder…

Rechtbank Den Haag, 13 januari 2026

Zaakgegevens

Op 13 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
13 januari 2026
Datum publicatie
16 januari 2026
Zaaknummer
AWB 25/9682
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:660
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eisers komen uit Pakistan. Zij willen een visa voor kort verblijf in Nederland voor vakantie. Verweerder heeft de visa geweigerd af te geven en ook het bezwaar afgewezen. Eisers zijn het hiermee niet eens. Daarom hebben ze beroep ingesteld. In deze uitspraak wijst de rechtbank het beroep van eisers af. De motivering van verweerder voldoet op een aantal punten niet. Met name is niet ingegaan op de ingediende bewijsmiddelen en de standpunten van eisers. Echter, er waren valse hotelreserveringen bij de aanvragen gesloten. Dit op zich is genoeg reden om de aanvragen te mogen weigeren. Eiser heeft nog gesteld dat hun reisbureau de valse stukken heeft geregeld en zij zelf niet de intentie hadden om valse bewijsmiddelen in te dienen. Echter, de valsheid van die stukken komt wel voor rekening van eisers. Verweerder mocht op grond daarvan twijfelen aan de betrouwbaarheid van alle bewijsmiddelen en de geloofwaardigheid daarvan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 25/9682


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , eiser,

V-nummer: [v-nummer 1]

en

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [v-nummer 2]

mede namens hun minderjarige kinderen:

[eiser 2] ,

V-nummer: [v-nummer 3]

[eiser 3] ,

V-nummer: [v-nummer 4]

[eiser] ,

V-nummer: [v]

tezamen: eisers,

(gemachtigde: F.M. Siddiqui),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van Es).

Samenvatting

1. Eisers komen uit Pakistan. Zij willen een visa voor kort verblijf in Nederland voor vakantie. Verweerder heeft de visa geweigerd af te geven en ook het bezwaar afgewezen. Eisers zijn het hiermee niet eens. Daarom hebben ze beroep ingesteld.

1.1.

In deze uitspraak wijst de rechtbank het beroep van eisers af. De motivering van verweerder voldoet op een aantal punten niet. Met name is niet ingegaan op de ingediende bewijsmiddelen en de standpunten van eisers. Echter, er waren valse hotelreserveringen bij de aanvragen gesloten. Dit op zich is genoeg reden om de aanvragen te mogen weigeren. Eiser heeft nog gesteld dat hun reisbureau de valse stukken heeft geregeld en zij zelf niet de intentie hadden om valse bewijsmiddelen in te dienen. Echter, de valsheid van die stukken komt wel voor rekening van eisers. Verweerder mocht op grond daarvan twijfelen aan de betrouwbaarheid van alle bewijsmiddelen en de geloofwaardigheid daarvan.

Procesverloop

2. Eisers hebben de Pakistaanse nationaliteit. Zij hebben op 18 september 2024 aanvragen ingediend om afgifte aan ieder van hen van een visum kort verblijf met als doel vakantie/toerisme.

2.1.

Verweerder heeft deze aanvragen met het besluit van 11 oktober 2024 (het primaire besluit) afgewezen. De redenen daarvoor zijn dat:

- het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond,

- niet is aangetoond dat over voldoende middelen van bestaan wordt beschikt zowel voor de duur van het verblijf als voor de voorgenomen terugreis en

- er redelijke twijfel bestaat over het voornemen om vóór het verstrijken van het visum Nederland weer te verlaten. De sociale en economische binding met het land van herkomst is onvoldoende aangetoond.

2.2.

Bij het bestreden besluit van 8 april 2025 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van de aanvragen kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder stelt dat niet is voldaan aan artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel ii en iii) en onder b van die bepaling. Verweerder handhaaft daarbij de motivering van het primaire besluit. Verder overweegt verweerder dat eisers bij de aanvragen twee hotelreserveringen heeft overgelegd. Verweerder heeft navraag gedaan bij de betreffende twee hotels en toen geconcludeerd dat de overgelegde reserveringen vals waren. Het verstrekken van valse bewijsstukken ter ondersteuning van een visumaanvraag leidt altijd tot weigering van het gevraagde visum. Want daarom twijfelt verweerder aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid over alle verstrekte informatie. In het verlengde hiervan twijfelt verweerder ook aan de juistheid van het opgegeven reisdoel, de motieven voor de visumaanvraag en het voornemen tijdig te vertrekken. Er zijn in bezwaar geen nieuwe hotelreserveringen ingebracht. Het in bezwaar ingebrachte reisplan is ook onvoldoende. Er worden alleen bezienswaardigheden opgesomd. Niet is geconcretiseerd wat eisers precies willen doen in Nederland. Gelet op dit alles zijn het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden volgens verweerder niet aangetoond. Reeds daarom geeft verweerder geen visa af. Daarnaast is er onvoldoende objectief bewijs waaruit blijkt dat, zoals eisers stellen, (a) zij over voldoende financiële middelen beschikken voor de reis en het verblijf en (b) sprake zou zijn van sterke sociale en economische banden met Pakistan, aldus verweerder. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerder afgezien van het horen van eisers.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Daarom hebben zij beroep ingesteld. Ze hebben een aantal redenen aangevoerd waarom zij het niet eens zijn met het bestreden besluit. De rechtbank gaat hierop hierna in.

4. De rechtbank concludeert dat de motivering van het bestreden besluit op onderdelen onvoldoende is. Echter, één van de afwijzingsgronden blijft in stand. Daarom is het beroep toch ongegrond. Dit wordt hierna uitgelegd.

Waarom heeft verweerder de aanvragen en het bezwaar afgewezen?

5. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Visumcode wordt een visum geweigerd:

“a. indien de aanvrager:

i. i) een vals, nagemaakt of vervalst reisdocument heeft overgelegd;

ii) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;

(…)

iii) niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor zijn terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar hij met zekerheid zal worden toegelaten, of in de mogelijkheid te verkeren deze middelen legaal te verkrijgen;

(…)

of

b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.”

5.1.

Op grond van artikel 14 van de Visumcode is het aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening. Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 blijkt dat verweerder veel beoordelingsruimte heeft bij het beantwoorden van de vraag of een vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten. Daardoor mag de rechtbank het oordeel alleen terughoudend toetsen.

5.2.

Verweerder heeft de afwijzing van de aanvragen in eerste instantie gebaseerd op de valse hotelreserveringen. Ter zitting is komen vast te staan dat verweerder de afwijzing niet baseert op artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel i), van de Visumcode.

5.3.

Verweerder heeft op de zitting uitgelegd dat is voldaan aan artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel ii), artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel iii) en artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode. Verweerder heeft terecht gesteld dat de afwijzing in stand blijft als blijkt dat is voldaan aan één van deze drie bepalingen. In dit verband kunnen de valse hotelreserveringen van belang zijn. Maar ook als daarop geen acht wordt geslagen, om welke reden dan ook, bestaat de mogelijkheid dat de afwijzing om een of meerdere andere redenen in stand kan blijven. Dit betekent dat de valse hotelreserveringen niet doorslaggevend hoeven te zijn voor de vraag of de afwijzing in stand kan blijven. Het standpunt van eisers dat verweerder op het punt stond van goedkeuring van de aanvragen totdat bleek dat de hotelreserveringen vals waren, is daarom niet relevant. De vraag is of er een voldoende reden is voor die afwijzing. Dit beoordeelt de rechtbank hierna.

Zijn het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf aangetoond artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel ii) van de Visumcode)?

6. Eisers stellen dat zij niet wisten dat de hotelreserveringen vals waren. Ze zijn onschuldig. Ter onderbouwing is een brief van reisagentschap Travellanda Ltd ingebracht die dit zou bevestigen. Uit wat ter zitting is gesteld maakt de rechtbank op dat eisers ervan uitgingen dat het reisbureau in Pakistan dat zij hadden ingeschakeld, betrouwbaar was. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan gesteld dat de valsheid van de hotelreserveringen onder de verantwoordelijkheid van eisers vallen. Mogelijk is het reisbureau in Pakistan degene die de valse stukken op eigen initiatief heeft geregeld, zonder eisers hiervan op de hoogte te stellen. Eisers hebben echter dit reisbureau zelf ingeschakeld. Verder is van belang dat eisers in bezwaar een reisplan hebben ingediend. In het bezwaarschrift hebben zij uitgelegd dat zij door het contact met hun neef en zijn gezin in Nederland het land hebben leren kennen en het in het echt willen zien, als ook dat zij dat gezin willen verrassen met een bezoek. Ter zitting is verder toegelicht waarom eisers specifiek geïnteresseerd zijn in Nederland.

6.1.

De rechtbank volgt verweerder dat de valse hotelreserveringen onder de verantwoordelijkheid van eisers vallen. Dit betekent echter niet dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onduidelijk zijn. Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat niet duidelijk is wat eisers willen gaan doen in Nederland. De rechtbank volgt dit zonder nadere toelichting niet. Uit het reisplan blijkt juist dat zij allerlei concrete bezienswaardigheden, als ook de neef en zijn gezin in Nederland willen bezoeken. Verweerder is onvoldoende ingegaan op het reisplan. Ook had verweerder mede acht moeten slaan op de onderbouwing van de interesse van eisers in specifiek Nederland. De enkele omstandigheid dat de eerder ingebrachte stukken over de hotelreserveringen vals bleken, betekent niet dat het opgegeven reisdoel ook onbetrouwbaar is. Dat het reisplan pas in bezwaar is ingebracht, leidt ook niet tot dit oordeel. Verweerder had dit standpunt beter moeten uitleggen.

6.2.

De beroepsgrond slaagt.

Is aangetoond dat eisers over voldoende middelen van bestaan beschikken (artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel iii) van de Visumcode)?

7. Eisers stellen voldoende financiële middelen te hebben zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar Pakistan. Zij hebben zich beroepen op de inkomsten uit de onderneming van eiser, [bedrijf] . Eisers stellen ten behoeve van de reis te beschikken over € 11.000,-.

7.1.

Eiser heeft gesteld dat hij de ‘CEO’ is van een ‘business’ in medicijnen. Ter onderbouwing heeft hij bij de aanvragen en in bezwaar verschillende bewijsmiddelen ingebracht. Zo heeft hij bankstukken over in ieder geval de periode maart tot en met september 2024 ten name van [bedrijf] ingebracht, informatie van de bank dat hij of zijn bedrijf sinds 2016 klant is, een bewijs van registratie van het bedrijf bij de ‘Federal Board of Revenu’, belastingaangiften over de periode juli 2023 tot en met juni 2024, bewijzen dat [bedrijf] medicijnen mag tentoonstellen en verkopen en een kopie van een betaalpas ten name van eiser. Verweerder is niet ingegaan op zowel op het standpunt van eisers dat eiser een goed lopende onderneming heeft als ook de bewijsmiddelen daarvoor. Verweerder heeft enkel gesteld dat er onvoldoende objectief bewijs is ingebracht voor het standpunt dat eisers over voldoende middelen beschikken. Dit acht de rechtbank onvoldoende. Verweerder had in het kader van het standpunt dat eiser niet over voldoende middelen zou beschikken, concreet moeten ingegaan op het standpunt van eisers en de bewijsmiddelen. De enkele omstandigheid dat de eerder ingebrachte stukken over de hotelreserveringen vals bleken, betekent niet dat de opgegeven financiële middelen en de bewijsmiddelen hierover ook onbetrouwbaar zijn.

7.2.

De beroepsgrond slaagt.

Bestaat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen om het grondgebied van te verlaten (artikel 32, eerste lid, onder b, tweede deel, van de Visumcode)?

8. Eisers stellen vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum Nederland en de EU weer te willen verlaten. Zij stellen voldoende sociale en economische binding in Pakistan te hebben. Eisers stellen te beschikken over bepaalde voertuigen, bankrekeningen en onroerend goed in Pakistan. Ook is verklaard dat de oma en opa die bij hen zouden inwonen in Pakistan niet meekomen naar Nederland, maar tijdelijk worden verzorgd door een andere familielid. Zij hebben zich verder beroepen op hun lopende medische verzekering in Pakistan, sociale banden met familie, buren en vrienden, economische banden vanwege de onderneming van eiser, dat eiser president is van een soort vereniging van eigenaren van het appartementengebouw waar zij wonen en het feit dat de kinderen met succes naar een goede school in Pakistan gaan. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers onder meer informatie ingebracht over de onderneming van eiser (zie hiervoor genoemd onder 7.1), bewijzen dat de kinderen naar school gaan, een verzekeringsbewijs, bewijs dat eiser president is van [naam] en schriftelijke verklaringen van eisers.

8.1.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende is ingegaan op dit standpunt van eisers. Verweerder is niet of nauwelijks ingegaan op de ingebrachte bewijsmiddelen. Verweerder heeft in het bestreden besluit enkel gesteld dat er onvoldoende bewijs is ingebracht voor de gestelde sociale binding en economische binding. Dit acht de rechtbank onvoldoende. Verweerder had in het kader van het standpunt dat eisers voornemen om Nederland te verlaten niet is aangetoond, concreet moeten ingegaan op het standpunt van eisers en de bewijsmiddelen. Daarbij had hij nader moeten ingaan op de gestelde binding met de oma en opa. De enkele omstandigheid dat de eerder ingebrachte stukken over de hotelreserveringen vals bleken, betekent niet dat de opgegeven stukken over de binding onbetrouwbaar zijn.

8.2.

Tot het dossier behoort een stuk met als datum van afdruk 3 december 2024. De rechtbank begrijpt dat dit een stuk is met informatie over de totstandkoming van het primaire besluit. In dit stuk staat meer concrete informatie over het standpunt van verweerder over de sociale en economische binding. Het is echter geen onderdeel van de besluitvorming. Het lijkt ook niet eerder dan in beroep aan eisers te zijn verstrekt. Er is verder niet ingegaan op de in bezwaar ingebrachte bewijsmiddelen. Voor zover verweerder heeft bedoeld dit als aanvullende motivering te beschouwen, is het om deze redenen al onvoldoende. Inhoudelijk staat er dat de bankafschriften blijk geven van een ‘optopping in mei’, waardoor er twijfel zou bestaan over de bedrijfsinkomsten. Het is aan verweerder om een dergelijk argument met eiser te delen zodat daarop concreet kan worden ingegaan, bijvoorbeeld tijdens een hoorgesprek in bezwaar. Dit geldt ook voor het andere inhoudelijke argument in het stuk dat, omdat het hele gezin naar Nederland komt, terugkeer niet is gewaarborgd.

8.3.

De beroepsgrond slaagt.

Bestaat er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan (artikel 32, eerste lid, onder b, eerste deel, van de Visumcode)?

9. Verweerder heeft de afwijzing mede gegrond op het eerste deel van artikel 21, eerste lid, onder b van de Visumcode. Volgens verweerder bestaat er redelijke twijfel over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van alle overige verstrekte informatie. De rechtbank begrijpt dat dit is gebaseerd op de gebleken valsheid van de hotelreserveringen. De vraag is of dit op zich voldoende is voor de afwijzing van de aanvragen en het bezwaar. De andere door verweerder aangevoerde afwijzingsgronden zijn immers niet genoeg gemotiveerd.

9.1.

De rechtbank volgt verweerder. Verweerder heeft namelijk zoals gezegd (zie hiervoor genoemd onder 5.1) veel beoordelingsruimte bij het beantwoorden van de vraag of een vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode. Daarom mag de rechtbank de beslissing van verweerder alleen terughoudend toetsen. Blijkbaar vindt verweerder dat alleen al vanwege de valsheid van een aantal bewijsstukken getwijfeld kan worden aan de echtheid van de andere bewijsstukken en de geloofwaardigheid van de inhoud daarvan. De rechtbank acht dit standpunt niet onredelijk. Daarbij is met name relevant dat de valse hotelreserveringen onder de verantwoordelijkheid vallen van eisers (zie hiervoor genoemd onder 6.1). Dit betekent dat de valsheid van de stukken voor hun risico komt. Dat zij niet de intentie hadden om valse stukken in te dienen, maakt dit niet anders. Eisers zullen in deze situatie, waarin een deel van hun ingebrachte bewijs vals blijkt te zijn, moeten laten zien dat hun andere bewijsmiddelen niet ook vals zijn. Dit brengt dus een extra zware bewijslast met zich mee.

9.2.

Een andere optie is om een nieuwe aanvraag in te dienen. Verweerder dient dan opnieuw te beoordelen of de valsheid van bij een andere aanvraag ingediende bewijsmiddelen de geloofwaardigheid bij een nieuwe aanvraag aantast. De rechtbank acht het niet redelijk dat verweerder bij een volgende aanvraag opnieuw de valsheid van die hotelreserveringen in dezelfde mate tegenwerpt.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft een aantal afwijzingsgronden onvoldoende gemotiveerd. Echter, verweerder heeft kunnen stellen dat is voldaan aan artikel 32, eerste lid, onder b, eerste deel, van de Visumcode. Die afwijzingsgrond op zich volstaat. Daarom is het beroep ongegrond.

10.1.

Ondanks dat het beroep ongegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en hebben eisers recht op een vergoeding van zijn proceskosten. Dit vanwege de onvolledige en daarom ook onduidelijke motivering van het bestreden besluit. Verweerder heeft onvoldoende duidelijk voorop gesteld dat niet is voldaan aan artikel 32, eerste lid, onder b, eerste deel, van de Visumcode. In het primaire besluit was dit niet zo verwoord en verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit ook de eerdere afwijzingsgronden herhaald waarbij hij vervolgens onvoldoende op alle ingebrachte bewijsmiddelen daarover is ingegaan. De rechtbank acht dit nodeloos verwarrend voor eisers.

10.2.

Er zijn geen proceskosten gebleken. De gemachtigde van eisers was immers geen professionele rechtsbijstandverlener. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Daarom wordt alleen het griffierecht vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart beroep ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:EU:C:2013:862.