Vreemdelingenrecht
Beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang, omdat eiseres een asielstatus heeft in Duitsland en niet meer…
Rechtbank Den Haag, 17 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:6635 · Rechtbank Den Haag · 17 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-6635
Zaakgegevens
Op 17 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 maart 2026
- Datum publicatie
- 26 maart 2026
- Zaaknummer
- NL24.52207
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6635
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang, omdat eiseres een asielstatus heeft in Duitsland en niet meer reageert op berichten van haar gemachtigde. Wel PKV, omdat rechtsonduidelijkheid en rechtsonzekerheid is ontstaan doordat rechtsgevolgen niet expliciet zijn vermeld in besluit.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.52207
[v nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiseres
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de buitenbehandelingstelling van haar asielaanvraag.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en omstandigheden
Eiseres is geboren op [geboortedag] 2005 en heeft de Afghaanse nationaliteit.
Op 30 mei 2024 heeft eiseres asiel aangevraagd in Nederland.
Op 15 oktober 2024 heeft verweerder eiseres laten weten voornemens te zijn haar asielaanvraag buiten behandeling te stellen. Eiseres heeft op 25 oktober 2024 gereageerd op dit voornemen.
Met het primaire besluit van 8 november 2024 heeft verweerder de asielaanvraag buiten behandeling gesteld, op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft aan deze beslissing ten grondslag gelegd dat uit informatie van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers en uit informatie van de korpschef van het regionaal politiekorps Noord-Holland blijkt dat eiseres op 25 juni 2024 is vertrokken met onbekende bestemming (MOB). Zij heeft de beslissing op haar asielaanvraag niet afgewacht.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het primaire besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Is sprake van procesbelang?
Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling, toetst de rechtbank ambtshalve of sprake is van procesbelang. Dat houdt in dat het resultaat dat wordt nagestreefd met een procedure ook daadwerkelijk kan worden bereikt met die procedure.
Verweerder heeft de rechtbank op 17 februari 2026 laten weten dat eiseres inmiddels een asielstatus heeft gekregen in Duitsland. Verweerder heeft ter onderbouwing hiervan een mailwisseling met de Dublinunit overgelegd, waaruit volgt dat de vluchtelingenstatus met een beschikking van 18 december 2025 aan eiseres is verleend. Volgens verweerder heeft eiseres daarom geen belang meer bij de behandeling van haar beroep.
De gemachtigde van eiseres heeft eiseres per e-mail gevraagd of het klopt dat zij inmiddels een asielstatus heeft gekregen in Duitsland. Op het moment van de zitting had eiseres nog niet gereageerd op dit e-mailbericht. De rechtbank heeft daarom het onderzoek op de zitting geschorst met een termijn van één week, om de gemachtigde van eiseres de gelegenheid te geven een reactie van eiseres af te wachten. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank op 24 februari 2026 laten weten dat zij geen nadere reactie van eiseres heeft ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten, zoals met partijen was afgesproken op de zitting.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu eiseres niet heeft gereageerd op de e-mail van haar gemachtigde, en verweerder de verlening van de asielstatus aan eiseres in Duitsland heeft onderbouwd met het eerdergenoemde informatie van de Dublinunit, moet ervan uit worden gegaan dat eiseres daadwerkelijk zoals verweerder zegt een asielstatus heeft gekregen in Duitsland. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dan ook geen belang meer bij deze procedure. Zij heeft namelijk al bescherming in Duitsland en heeft de door haar aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland niet meer nodig. Daarbij is gebleken dat eiseres geen contact meer onderhoudt met haar gemachtigde. Ook dat is een indicatie dat eiseres geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat zij anderszins nog een actueel en reëel belang heeft. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat eiseres, indien nodig, een nieuwe asielaanvraag in Nederland kan indienen, welke alsdan door verweerder op grond van artikel 30c, tweede lid, van de Vw als een eerste aanvraag zal worden behandeld. In het verweerschrift en op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder dat bevestigd.
Het beroep is gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk, omdat eiseres geen procesbelang meer heeft. De rechtbank zal het beroep daarom niet inhoudelijk behandelen.
Moet verweerder worden veroordeeld in de proceskosten van eiseres?
De gemachtigde van eiseres heeft verzocht om haar, ook als het beroep
niet-ontvankelijk zou worden verklaard, een proceskostenvergoeding toe te kennen.
De rechtbank stelt vast dat voor een proceskostenveroordeling niet is vereist dat het beroep gegrond moet zijn verklaard. Ook in het geval van een niet-ontvankelijkverklaring kan een bestuursorgaan worden veroordeeld in de proceskosten, als sprake is van verwijtbaarheid aan de zijde van het bestuursorgaan.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Op grond van de Vw geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33 van de Vw, wordt afgewezen, als een terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan. Ook heeft het afwijzende besluit van rechtswege een aantal gevolgen. Het eerste (voor zover relevante) gevolg is dat de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is. Het tweede (voor zover relevante) gevolg is dat de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 van de Vw gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet. Een buitenbehandelingstelling, waarvan in dit geval sprake is, wordt op grond van artikel 30c, derde lid, van de Vw gelijkgesteld met een afwijzende beschikking voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Vw. De buitenbehandelingstelling heeft dus dezelfde rechtsgevolgen als de afwijzende beschikking, zoals die hierboven zijn vermeld.
Omwille van rechtsduidelijkheid en rechtszekerheid maakt verweerder de rechtsgevolgen doorgaans duidelijk in een voor de asielzoeker negatieve beschikking, door expliciet die rechtsgevolgen te benoemen en uit te leggen wat die voor de asielzoeker betekenen. De gemachtigde van eiseres heeft ter illustratie hiervan de negatieve beschikking van de broer van eiseres overlegd. Daarin staat een terugkeerbesluit expliciet opgenomen en staat ook verdere uitleg over de rechtsgevolgen van het besluit. In de onderhavige buitenbehandelingstelling staan de rechtsgevolgen van het besluit niet expliciet vermeld. Wat dit zou moeten betekenen, is met partijen op de zitting besproken. De gemachtigde van eiseres voert aan dat de rechtsgevolgen expliciet in het besluit opgenomen hadden moeten worden, omdat verweerder dit altijd doet, de wet de rechtsgevolgen van een negatief besluit expliciet omschrijft en eiseres nu niet weet waar zij aan toe is, omdat niet duidelijk in het besluit staat wat haar nu te doen staat. Verweerder stelt zich op standpunt dat nu in het besluit geen terugkeerbesluit en geen vertrekplicht zijn opgenomen, deze ook niet zijn opgelegd. Dat de wet de rechtsgevolgen van de negatieve beschikking noemt, maakt niet dat die rechtsgevolgen impliciet uit het besluit zouden moeten worden afgeleid, aldus verweerder.
Naar het oordeel van de rechtbank illustreert de bespreking van dit punt op de zitting in ieder geval dat als de rechtsgevolgen niet expliciet worden vermeld in het besluit, er rechtsonduidelijkheid en rechtsonzekerheid ontstaat. Dat kan niet de bedoeling zijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder verwijtbaar heeft gehandeld door deze rechtsonduidelijkheid en rechtsonzekerheid te scheppen. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat een proceskostenveroordeling op zijn plaats is.
De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.