Vreemdelingenrecht

Vervolgberoep bewaring, de voortduring van de maatregel van bewaring, ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 4 maart 2026

Zaakgegevens

Op 4 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
4 maart 2026
Datum publicatie
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.1192
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7113
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgberoep bewaring, de voortduring van de maatregel van bewaring, ongegrond.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.1192

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H. Drenth)

en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister. (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

De minister heeft op 7 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De minister heeft op 31 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is uitgezet. Verder heeft de minister een verweerschrift ingediend.

Eiser handhaaft het beroep in het kader van een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 december 2025 (NL25.60905) volgt dat de maatregel van bewaring tot het sluiten van het onderzoek in die zaak, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (16 december 2025).

Ontbreken lp-toezegging en nota-verbaal

4. Eiser stelt dat weliswaar in de voortgangsrapportage is vermeld dat door de Algerijnse autoriteiten een toezegging is gegeven dat voor eiser een laissez-passer (lp) zal worden verstrekt, maar dat nergens uit blijkt dat de lp ook daadwerkelijk is afgegeven. Hiermee is de maatregel van bewaring niet langer gerechtvaardigd en in strijd met artikel 5 van het EVRM en artikel 6 van het HVEU.1 Reeds in de eerdere volgprocedure is aangegeven dat de in het voortgangsrapport vermelde nota-verbaal, waarin de lp-toezegging zou zijn vervat, niet in het dossier zit. Dit is in de uitspraak in het kader van het zicht op uitzetting geplaatst, maar niet in de onderhavige context gemotiveerd. Dat de afgifte en de nota-verbaal niet inzichtelijk is gemaakt, kan verschillende implicaties hebben, wat nu niet kan worden getoetst.

5. De rechtbank volgt dit niet. Zoals in de vorige uitspraak van 18 december 2025 reeds is geoordeeld, is er geen aanleiding voor twijfel aan de vermelding in de voortgangsrapportage dat de Algerijnse autoriteiten hebben toegezegd dat voor eiser een lp zal worden afgegeven. Dit wordt te meer bevestigd nu inmiddels de uitzetting van eiser feitelijk heeft plaatsgevonden. Voor de stelling dat het ontbreken van de nota-verbaal de maatregel niet toetsbaar zou maken, ziet de rechtbank geen grond. De minister heeft met de voortgangsrapportage voldoende informatie verstrekt over het uitzettingstraject en eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd waarom de nota-verbaal ter zake van toegevoegde waarde zou zijn.

Belangenafweging

6. Eiser heeft mede gelet op het voorgaande gesteld dat voortduring van de maatregel niet langer proportioneel was en de belangenafweging in het voordeel van eiser had moeten uitvallen.

7. De rechtbank volgt dit betoog evenmin. Allereerst gaat het gelet op rechtsoverweging 3 nog slechts om de periode tussen 16 en 30 december 2025. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd, noch ambtshalve, grond voor het oordeel dat de minister in die periode gehouden was vanwege de te maken belangenafweging de maatregel van bewaring op te heffen.

Conclusie

8. Ook inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing niet op enig moment onrechtmatig was.

9. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

[afbeelding niet beschikbaar]

1. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

04 maart 2026

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.