Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 9 januari 2026

Zaakgegevens

Op 9 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
9 januari 2026
Datum publicatie
10 april 2026
Zaaknummer
NL25.29029
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:8616
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing PKV-verzoek.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.29029

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.A. Vegter),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.

Verzoekster heeft op 1 juli 2025 een beroep ingediend, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum voor kort verblijf (hierna: het bezwaar).

De minister heeft op 28 mei 2025 een besluit genomen op het bezwaar.

Op 16 juni 2025 heeft de minister een ingebrekestelling ontvangen van verzoekster.

Bij brief van 28 juli 2025 heeft verzoekster haar beroep ingetrokken. Zij heeft daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De minister heeft bij brief van 2 oktober 2025 op dit verzoek gereageerd en aangegeven niet bereid te zijn om de proceskosten te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1

2. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.2

[afbeelding niet beschikbaar]

1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).

3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, stelt de rechtbank vast dat de minister reeds op 28 mei 2025 een besluit heeft genomen op het bezwaar van verzoekster. De ingebrekestelling van verzoekster is daarna op 16 juni 2025 door de minister ontvangen. Ten tijde van het instellen van het beroep op 1 juli 2025 was derhalve geen sprake van het niet-tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen was daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank zal daarom het verzoek om de minister in de proceskosten te veroordelen afwijzen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

09 januari 2026

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.