Vreemdelingenrecht

Asiel. Colombia. Terugkeerbesluit. Inreisverbod. Eiseres is vrijwillig teruggekeerd en onderhoudt geen…

Rechtbank Den Haag, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
21 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.3560
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30903
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Asiel. Colombia. Terugkeerbesluit. Inreisverbod. Eiseres is vrijwillig teruggekeerd en onderhoudt geen contact met haar gemachtigde. Beroep niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.3560


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 28 september 2026 op zitting behandeld. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiseres procesbelang heeft bij het beroep.

2. Verweerder heeft op 24 september 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat eiseres op 2 juni 2026 vrijwillig is teruggekeerd naar Colombia met behulp van het IOM. Verweerder heeft hierbij een door eiseres ondertekende verklaring overgelegd waaruit volgt dat eiseres ermee instemt dat alle nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd. Bij deze verklaringen is aangetekend dat procedures tegen een terugkeerbesluit en inreisverbod daar niet onder vallen.

3. De gemachtigde van eiseres heeft met een bericht in het digitale portaal laten weten en ter zitting bevestigd dat hij geen contact meer heeft met eiseres en dat hij ook niet op de hoogte is van haar verblijfplaats. Hij heeft van haar geen opdracht gekregen om het beroep ter zitting nader toe te lichten of in te trekken.

4. Uit de ondertekende vertrekverklaring leidt de rechtbank af dat eiseres niet langer aanspraak wenst te maken op een verblijfsvergunning asiel. Het beroep van eiseres, voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van haar asielaanvraag, moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. Het bestreden besluit van 19 januari 2026 omvat ook een terugkeerbesluit. De rechtbank constateert dat eiseres met haar vrijwillige vertrek naar Colombia uitvoering heeft gegeven aan het terugkeerbesluit, waardoor zij geen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid daarvan. Het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het terugkeerbesluit, moet daarom ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

6. Het bestreden besluit van 19 januari 2026 omvat ten slotte ook een inreisverbod. De Afdeling heeft geoordeeld dat een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken, belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van een bij een asielbesluit uitgevaardigd inreisverbod als hij in ieder geval contact onderhoudt met zijn gemachtigde voordat de rechtbank het onderzoek sluit. Nu eiseres geen contact meer heeft met haar gemachtigde en hij niet op de hoogte is van haar verblijfplaats, gaat de rechtbank ervan uit dat eiseres geen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het tegen haar uitgevaardigde inreisverbod. Daarom dient het beroep, ook voor zover dat betrekking heeft op het inreisverbod, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 20 oktober 2026 door mr. S.S. van der Velde, voorzitter, en mr. M.L. Weerkamp en mr. J.F.I. Sinack, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. International Organization for Migration. Zie ook de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3715 en van 25 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2930. Zie ook de uitspraken van de Afdeling van 31 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2960, en van 21 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1178. Uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:584, overweging 2.1. Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17529.