Vreemdelingenrecht

Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister dat eisers verblijfsrecht wordt ingetrokken en dat hij…

Rechtbank Den Haag, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.42902
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31543
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister dat eisers verblijfsrecht wordt ingetrokken en dat hij geen ander verblijfsrecht of verblijfsdocument krijgt. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister eisers verblijfsrecht mocht intrekken en of de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom aan eiser geen ander verblijfsrecht of verblijfsdocument wordt toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het verblijfsrecht van eiser mocht intrekken en dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom artikel 8 van het EVRM niet in de weg staat aan het afwijzen van de door eiser ingediende verlengingsaanvraag. De rechtbank komt echter ook tot het oordeel dat eiser een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De rechtbank draagt de minister dan ook op om het bij dat verblijfsrecht behorende document aan eiser te verstrekken. Eiser krijgt dus deels gelijk en het beroep is dus gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.42902


uitspraak van de meervoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister dat eisers verblijfsrecht wordt ingetrokken en dat hij geen ander verblijfsrecht of verblijfsdocument krijgt. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister eisers verblijfsrecht mocht intrekken en of de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom aan eiser geen ander verblijfsrecht of verblijfsdocument wordt toegekend.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het verblijfsrecht van eiser mocht intrekken en dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom artikel 8 van het EVRM niet in de weg staat aan het afwijzen van de door eiser ingediende verlengingsaanvraag. De rechtbank komt echter ook tot het oordeel dat eiser een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De rechtbank draagt de minister dan ook op om het bij dat verblijfsrecht behorende document aan eiser te verstrekken. Eiser krijgt dus deels gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en onder 3 de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister het verblijfsrecht van eiser met terugwerkende kracht mocht intrekken (4), de vraag of de minister bij het afwijzen van de verlengingsaanvraag mocht tegenwerpen dat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft (5) en de vraag of artikel 8 van het EVRM aan het intrekken van de vergunning en het tegenwerpen van het mvv-vereiste in de weg staat (6). Tot slot gaat de rechtbank onder 7 in op de vraag of eiser een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Bij besluit van 17 december 2018 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsrecht voor verblijf bij zijn (toenmalige) echtgenote. Dit verblijfsrecht was geldig van 20 oktober 2018 tot 20 oktober 2023. Op 23 juli 2023 diende eiser een aanvraag in om zijn verblijfsrecht te verlengen.

2.1.

Op 13 mei 2024 heeft de minister eiser laten weten dat hij voornemens is het verblijfsrecht met terugwerkende kracht in te trekken vanaf de ingangsdatum daarvan, dus vanaf 20 oktober 2018. De minister heeft eiser ook geïnformeerd over het voornemen de verlengingsaanvraag af te wijzen. Eiser heeft tegen dit voornemen een zienswijze ingediend.

2.2.

Bij besluit van 19 augustus 2024 is de minister overgegaan tot intrekking van het verblijfsrecht en heeft hij de verlengingsaanvraag afgewezen. De verlengingsaanvraag is in dit besluit als gevolg van de intrekking van het eerdere verblijfsrecht beoordeeld als een eerste aanvraag. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.

2.3.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook waren de partner en de dochter van eiser aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging er aan deze zaak vooraf?

3. Tijdens de behandeling van de verlengingsaanvraag is de minister door een uitleveringsverzoek van Turkije bekend geraakt met het feit dat eiser in Turkije in 2016 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaar en 3 maanden. Eiser heeft bij het aanvragen van zijn verblijfsrecht in 2018 op de antecedentenverklaring aangegeven in het verleden niet strafrechtelijk te zijn veroordeeld. Eiser heeft dat bij het indienen van de verlengingsaanvraag in 2023 opnieuw verklaard. Volgens de minister heeft eiser daarom gegevens achtergehouden die zouden hebben geleid tot het afwijzen van de oorspronkelijke aanvraag. De minister heeft om die reden het eerder aan eiser verleende verblijfsrecht met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van dat verblijfsrecht ingetrokken. Om die reden kon dat verblijfsrecht ook niet worden verlengd en heeft de minister ook de verlengingsaanvraag afgewezen. De verlengingsaanvraag is daarna door de minister (ook) beoordeeld als een eerste aanvraag. Die aanvraag heeft de minister afgewezen omdat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv. De minister vindt dat artikel 8 van het EVRM niet aan de afwijzing in de weg staat. Verder vindt de minister dat eiser geen van zijn dochter afgeleid verblijfsrecht heeft (een zogeheten Chavez-Vilchez-verblijfsrecht). De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin staat dat hij terug dient te keren naar Turkije en heeft aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Mocht de minister het verblijfsrecht van eiser intrekken?

4. Eiser betoogt dat hij weliswaar juridisch is veroordeeld voor het plegen van een drugsdelict, maar dat hij dat delict niet daadwerkelijk heeft begaan en onschuldig is. Dat is de reden dat eiser op de antecedentenverklaring heeft vermeld dat hij niet is veroordeeld. Eiser heeft verder in Turkije zijn straf al uitgezeten. Bij uitspraak van 28 december 2011 is eiser namelijk na 4,5 jaar detentie vervroegd vrijgelaten. Dat eiser in 2016 opnieuw veroordeeld zou zijn, is in strijd met het ne bis in idem-beginsel, omdat niemand twee keer veroordeeld mag worden voor hetzelfde feit. In Nederland zou de aan eiser opgelegde straf 40 tot 50 maanden zijn. Naar Nederlands recht heeft eiser zijn straf dus ook al ruimschoots uitgezeten. De minister heeft daar ten onrechte geen rekening mee gehouden. Dat de Turkse autoriteiten nu een uitleveringsverzoek hebben ingediend heeft puur politieke redenen, omdat eiser zich online negatief heeft uitgelaten over de Turkse president. Eiser betoogt verder dat het intrekken van zijn verblijfsrecht in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

4.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Ongeacht de vraag of eiser schuldig was, zijn straf al heeft uitgezeten of nog vervolgd wordt, had eiser op de antecedentenverklaring moeten invullen dat hij veroordeeld was (ongeacht de duur van de aan hem opgelegde straf) of dat hij aan strafrechtelijke vervolging onderworpen was. Door te verklaren dat van geen van beide sprake was, heeft eiser de antecedentenverklaring hoe dan ook onjuist ingevuld. Door eiser is niet bestreden dat het juist invullen van de antecedentenverklaring tot afwijzing van de aanvraag zou hebben geleid, zoals is opgenomen in paragraaf B1/4.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). De minister mocht het verblijfsrecht dan ook met terugwerkende kracht intrekken. Dat het intrekken van het verblijfsrecht van eiser onevenredig is omdat een aantal jaren is verstreken tussen de vrijlating van eiser (de rechtbank laat in het midden of dat zou zijn uit voorarrest of omdat zijn straf zou zijn uitgezeten) en de antecedentenverklaring volgt de rechtbank dan ook niet. Dat het in het kader van de evenredigheidstoets een te zware ‘sanctie’ zou zijn om het verblijfsrecht met terugwerkende kracht in te trekken terwijl eiser in de tussentijd een compleet leven heeft opgebouwd in Nederland volgt de rechtbank eveneens niet. De minister heeft namelijk niet ten onrechte aangenomen dat eiser zijn gezins- en privéleven heeft opgebouwd tijdens illegaal verblijf. De minister weegt dat gezins- en privéleven om die reden in dit kader niet ten onrechte minder zwaar mee. Op de vraag wat het familie- en gezinsleven betekent voor het beroep op artikel 8 van het EVRM en het arrest Chavez-Vilchez gaat de rechtbank hieronder nog nader in.

Mocht de minister tegenwerpen dat eiser geen geldige mvv heeft?

5. Eiser betoogt dat hij moet worden vrijgesteld van de mvv-plicht, omdat hij als werknemer met de Turkse nationaliteit bepaalde rechten heeft op grond van het Turks Associatierecht. Omdat eiser die rechten heeft mag de minister aan hem geen beperkingen opleggen die niet al golden ten tijde van het ingaan van de verschillende onderdelen van het Turks Associatierecht zonder dat daarvoor een dwingende reden aanwezig is. Het verplicht stellen van een mvv is volgens eiser zo een nieuwe beperking. Wanneer het mvv-vereiste als enige en zelfstandige afwijsgrond wordt gehanteerd is dat een nieuwe beperking die niet kan worden gerechtvaardigd met een dwingende reden van algemeen belang. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 april 2014, het arrest Demir en het arrest Yön.

5.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Als eiser al rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80 (dat laat de rechtbank in het midden), acht de rechtbank het tegenwerpen van het mvv-vereiste aan een Turkse werknemer of een gezinslid van een Turkse werknemer een toegestane nieuwe beperking. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025 en de uitspraken van de deze rechtbank en zittingsplaats van 5 november 2024 (meervoudige kamer) en 9 april 2025 (enkelvoudige kamer). Hoewel deze rechtspraak, zoals eiser terecht op zitting heeft opgemerkt, ziet op het tegenwerpen van het mvv-vereiste aan Turkse zelfstandigen en dus niet één op één van toepassing is, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat het oordeel ten aanzien van Turkse werknemers of hun gezinsleden anders zou moeten luiden. Eiser heeft dat desgevraagd ook op zitting niet kunnen onderbouwen. Zelfs als eiser aangemerkt zou moeten worden als Turks werknemer of gezinslid van een Turks werknemer acht de rechtbank het dus niet in strijd met de standstill-bepaling om aan hem het mvv-vereiste (al dan niet als enige afwijsgrond) tegen te werpen.

Staat artikel 8 van het EVRM aan de intrekking van de vergunning en het tegenwerpen van het mvv-vereiste in de weg?

6. Eiser betoogt in zijn beroepsgronden dat zijn belang om in Nederland te blijven zwaarder dient te wegen dan het belang van de minister bij het intrekken van zijn verblijfsrecht en het opleggen van een inreisverbod. Eiser verblijft al meer dan 6 jaar in Nederland, verricht arbeid in loondienst en als zelfstandige en verzorgt een minderjarig Nederlands kind. Eiser is ook al 13 jaar niet terug geweest naar Turkije. Eiser is daarom in Nederland geworteld.

6.1.

Strikt genomen richt eiser zich met deze beroepsgrond alleen tegen het intrekken van zijn verblijfsrecht en het opleggen van een inreisverbod. De minister heeft echter ook bij het tegenwerpen van het mvv-vereiste getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Juist in dat kader is de minister het meest uitgebreid op eisers gezinsleven ingegaan en eiser heeft hier inhoudelijk op gereageerd in de gronden en op de zitting. Hieruit volgt dat eisers betoog over artikel 8 van het EVRM ook ziet op het tegenwerpen van het mvv-vereiste.

6.2.

De rechtbank stelt vast dat de minister tussen eiser en zijn partner en stiefdochter gezinsleven aanneemt als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De vraag is of de minister de belangenafweging in dat kader op de juiste manier heeft verricht. De rechtbank komt echter niet toe aan het beantwoorden van die vraag. De rechtbank komt hieronder namelijk tot de conclusie dat eiser een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU en zal de minister opdragen een document te verstrekken waaruit dat blijkt. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een vreemdeling vanwege een dergelijk verblijfsrecht ongehinderd zijn familie- en gezinsleven kan uitoefenen, zodat niet wordt toegekomen aan de vraag of het onthouden van een verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM een ongerechtvaardigde inmenging in dat familie- en gezinsleven oplevert. De rechtbank komt daar in dit geval dus ook niet aan toe.

Heeft eiser een afgeleid verblijfsrecht?

7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft vastgesteld dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU. Eiser neemt al jarenlang een groot deel van de zorgtaken op zich voor [persoon] , de dochter van zijn partner. Eiser beschouwt haar ook als zijn eigen dochter. Eiser heeft meerdere malen verklaard over de goede band met [persoon] . [persoon] en zijn partner hebben deze goede band bevestigd. Dat de partner van eiser ook de zorg voor haar dochter kan dragen is relevant, maar niet voldoende om te kunnen vaststellen dat er tussen eiser en [persoon] niet een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat zij genoodzaakt zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten wanneer eiser dat ook zou moeten. Er ontstaat minstens een risico voor haar evenwicht indien zij van eiser wordt gescheiden. De minister had dat mee moeten wegen en daarbij ook moeten betrekken de leeftijd van [persoon] en haar lichamelijke en emotionele ontwikkeling. De partner van eiser is verder weliswaar een echtscheidingsprocedure gestart, maar dat is alleen zodat zij en haar dochter in Turkije niet worden geconfronteerd met de (politieke) problemen van eiser wanneer zij daar op vakantie zijn. De minister heeft daar in het bestreden besluit ten onrechte onvoldoende rekening mee gehouden, aldus eiser.

7.1.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit het arrest Chavez-Vilchez vloeit voort dat een ouder die onderdaan is van een derde land een afgeleid verblijfsrecht heeft van zijn minderjarige Unieburger-kind, als weigering van een verblijfsrecht aan die ouder tot gevolg heeft dat het kind gedwongen wordt om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.

Relevant is volgens het Hof van Justitie de mate van afhankelijkheid tussen de derdelander ouder en het Unieburger-kind. Daartoe moeten volgens het Hof alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden.

Volgens de regelgeving van de minister moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • De vreemdeling heeft zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk gemaakt;

  • De vreemdeling heeft een minderjarig Nederlands kind en;

  • Tussen de ouder en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.

Als sprake is van daadwerkelijke zorg- en/of opvoedingstaken is in zoverre de afhankelijkheidsrelatie gegeven.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt. Ook niet in geschil is dat eiser een minderjarig kind heeft. Weliswaar is eiser niet [persoon] ’s biologische vader, maar hij heeft haar wel erkend waardoor hij juridisch haar vader is. In geschil is of tussen eiser en [persoon] sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat [persoon] gedwongen zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan haar vader het verblijfsrecht wordt geweigerd.

7.3.

Uit paragraaf B10/2.5.1.3.1. van de Vc 2000 volgt dat de minister in beginsel een zodanige afhankelijkheid aanneemt wanneer de derdelander ouder duurzaam samenwoont met een minderjarig Nederlands kind over wie hij het gezag heeft, voor wie hij de wettelijke en financiële last draagt en met wie hij een affectieve band heeft. Op zitting is gebleken dat eiser niet het wettelijke gezag heeft over [persoon] . Dat is ook niet in geschil. De rechtbank begrijpt dat het niet de bedoeling van eiser en zijn partner is geweest om hem het gezag over [persoon] te ontzeggen en dat zij dit het liefst alsnog zouden regelen als dat is wat nodig is om het gevraagde verblijfsdocument te krijgen.

7.4

De vraag of dit beleid een juiste weergave is van het arrest van het Hof van Justitie van 5 mei 2022, XU en QP behoeft geen bespreking omdat ook als het beleid op dit onderdeel juist zou zijn, de rechtbank van oordeel is dat eiser aan de hand van de andere in die paragraaf genoemde punten aannemelijk genoeg heeft gemaakt dat tussen hem en [persoon] een zodanige afhankelijkheid bestaat. Dat legt de rechtbank als volgt uit.

7.5.

Uit paragraaf B10/2.5.1.3.1. van de Vc 2000 volgt dat, als niet aan de hoofdregel is voldaan, verweerder de zodanige afhankelijkheid aan de hand van de volgende omstandigheden beoordeelt:

  • de derdelands ouder zorgt daadwerkelijk voor het kind;

  • de vreemdeling heeft het ouderlijk gezag over het minderjarige Nederlandse kind;

  • de rol van de andere Nederlandse ouder(s);

  • de vreemdeling draagt de wettelijke en financiële lasten voor het Nederlandse kind en heeft een affectieve band met het Nederlandse kind;

  • de woonsituatie van het kind;

  • de leeftijd van het kind;

  • het lichamelijke en emotionele ontwikkelingsniveau, de gezondheid en de economische situatie van het kind;

  • het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als hij van zijn ouder wordt gescheiden.

Het gaat hier niet over cumulatieve voorwaarden, maar omstandigheden die in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld.

7.6.

Niet in geschil is dat eiser en [persoon] samenwonen. Ook niet in geschil is dat eiser al ongeveer dertien jaar in [persoon] ’s leven is. In de besluitvormingsfase en ook in de beroepsfase zijn verschillende stukken overgelegd ter onderbouwing van de band tussen [persoon] en haar vader. Zo heeft de partner van eiser verklaringen afgelegd. Zij vertelt dat zij een eigen bedrijf heeft waar zij vaak druk mee is, zodat de dagelijkse zorg voor [persoon] al van kleins af aan vaak op de schouders van eiser rust. [persoon] heeft zelf ook in de besluitvormingsfase (schriftelijk en tijdens de hoorzitting) en op zitting verteld over de band met haar vader. Zij vertelt dat zij veel dingen doet met hem, dat zij samen lachen en dat eiser lief en zorgzaam voor haar is en, omdat haar moeder veel werkt, haar bijvoorbeeld opvangt wanneer zij uit school komt. De psycholoog van [persoon] verklaart ook dat het eiser is die haar altijd haalt en brengt naar haar afspraken. [persoon] zelf heeft verklaard dat eiser haar naar de tandarts en de huisarts brengt. Een vriendin van de familie heeft een uitgebreide verklaring opgesteld waaruit blijkt dat eiser zeer betrokken is en ook jarenlang is geweest bij de opvoeding en verzorging van [persoon] . Ook de bijlesleraar van [persoon] heeft een korte verklaring opgesteld waaruit blijkt dat eiser meestal aanwezig was op de momenten dat hij bij hen thuis bijles kwam geven. Daarnaast zijn er veel foto’s overgelegd waarop duidelijk is te zien dat eiser en [persoon] in verschillende leeftijdsfases samen dingen ondernemen. Geen van deze stukken is door de minister (inhoudelijk) weersproken. Ook erkent de minister in het bestreden besluit dat duidelijk is dat eiser een rol speelt in het leven van [persoon] en dat het weigeren van een verblijfsdocument voor haar aanzienlijke gevolgen zal hebben. Dat, zoals de minister in het bestreden besluit opmerkt, voor het verblijfsrecht van [persoon] zelf geen gevolgen zullen bestaan acht de rechtbank niet relevant. De vraag is niet of [persoon] zelf in Nederland mág blijven, maar of zij dat ook kán gelet op de band tussen haar en eiser. Dat een ander de opvoedingstaken zou kunnen vervullen die eiser vervult acht de rechtbank ook niet relevant. Dat is immers niet de toets die moet worden uitgevoerd bij een beroep op het arrest Chavez-Vilchez. Hoewel de minister aan eiser heeft tegengeworpen dat hij geen wettelijk gezag heeft over [persoon] , heeft hij niet ontkend dat eiser (deels) de financiële last draagt voor [persoon] . [persoon] is verder weliswaar geen klein kind meer dat in de dagelijkse (lichamelijke) verzorging constant aandacht behoeft, maar blijkbaar anders dan de minister is de rechtbank juist van oordeel dat [persoon] zich als zestienjarige in een bijzonder vormende fase bevindt. De zorg voor een kind in die fase is weliswaar niet hetzelfde als voor een klein kind, maar daardoor niet minder belangrijk. Zo omschrijft [persoon] zelf dat ze bij eiser haar gevoel en haar mening kan uiten, iets wat voor een kind van haar leeftijd mogelijk erg belangrijk is. Rekening houdend met alle omstandigheden zoals genoemd in paragraaf B10/2.5.1.3.1. van de Vc 2000, in onderlinge samenhang bezien, brengt dat de rechtbank tot de volgende conclusie. Voor de rechtbank is zowel uit het dossier als uit de houding van het hele gezin op zitting, meer in het bijzonder hoe [persoon] over haar vader vertelt en hoe zichtbaar veel hij voor haar betekent, duidelijk dat al deze omstandigheden aan de orde zijn en voor het aannemen van een afhankelijkheidsrelatie tussen [persoon] en eiser pleiten. Het enkele ontbreken van wettelijk gezag van eiser over [persoon] is niet voldoende om van dat oordeel af te wijken. Aangezien al deze omstandigheden in onderlinge samenhang moeten worden bezien en er geen sprake is van een cumulatieve lijst, moet naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez en daarmee van een afhankelijk verblijfsrecht gebaseerd op artikel 20 van het VWEU. De rechtbank zal de minister opdragen een document te verstrekken waaruit dat verblijfsrecht blijkt.

7.7.

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande ook aanleiding om te bepalen dat het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod niet in stand kunnen blijven. De rechtbank gaat daarom niet in op wat eiser daartegen heeft aangevoerd. Die gronden van beroep behoeven namelijk geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dat ziet op het niet verlenen van het document waaruit het afhankelijk verblijfsrecht blijkt en het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat aan eiser dit document moet worden verstrekt. Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand.

8.1.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 194 vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is bepaald dat aan eiser geen document wordt verstrekt waaruit een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU blijkt en voor zover daarin een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en een inreisverbod is opgelegd;

- draagt de minister op om binnen twee weken aan eiser een document af te geven waaruit zijn rechtmatig verblijf als familielid van een Unieburger blijkt;

- bepaalt dat deze uitspraak in plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868;

- draagt de minister op het door eiser betaalde griffierecht van € 194 aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. S.A. van Hoof en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, H.C. Chavez-Vilchez e.a., ECLI:EU:C:2017:354. Tussen de (rechtsvoorganger van) de Europese Unie en Turkije zijn overeenkomsten gesloten op grond waarvan Turkse werknemers en hun gezinsleden bepaalde rechten (bijvoorbeeld op verblijf) hebben en verder opbouwen. ECLI:NL:RVS:2014:1621. Arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2013, ECLI:EU:C:2013:725. Arrest van het Hof van Justitie van 7 augustus 2018, ECLI:EU:C:2018:632. ECLI:NL:RVS:2025:3171. ECLI:NL:RBDHA:2024:18071. ECLI:NL:RBDHA:2025:5861. ABRvS 10 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2370. Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1466) en van 16 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1962). ECLI:EU:C:2022:354.