Vreemdelingenrecht

opvolgende bnt, termijn, wegingsfactor, zeer licht

Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.34445
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31566
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

opvolgende bnt, termijn, wegingsfactor, zeer licht

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.34445


uitspraak van de meervoudige kamer van 27 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer [nummer] ,

[eiser] , v-nummer [nummer] ,

[eiser] , v-nummer [nummer] ,

[eiser] , v-nummer [nummer] ,

[eiser] , v-nummer [nummer]

eisers

(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).

Samenvatting

1. Wanneer de minister niet binnen de wettelijke termijn beslist op een aanvraag kan een betrokkene daartegen in beroep gaan. Als de rechtbank al eerder een beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond heeft verklaard en die uitspraak nog niet tot een besluit heeft geleid, kan een betrokkene opnieuw beroep instellen en de rechtbank wederom verzoeken om de minister op te dragen een besluit te nemen. Deze uitspraak gaat over zo’n opvolgend beroep. Het beroep is ingesteld, omdat de minister niet tijdig heeft beslist op een aanvraag om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning. Voor de leesbaarheid zal de rechtbank de term ‘nareisaanvraag’ gebruiken voor aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning. Hieronder worden mede begrepen aanvragen van gezinsleden voor wie strikt genomen het nareisbeleid niet geldt, maar bij wie de beoordeling plaatsvindt op grond van artikel 8 van het EVRM.

1.1.

In deze zaak staat de vraag centraal welke wegingsfactor moet worden toegepast bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand wanneer een opvolgend beroep tegen niet tijdig beslissen gegrond wordt verklaard. De rechtbank komt – anders dan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraak van 15 juni 2026 – tot het oordeel dat, gelet op de uiterst beperkte werkzaamheden van de gemachtigde, het specifieke processuele belang bij een opvolgend beroep en de aansluiting bij de toevoegingspraktijk, toepassing van wegingsfactor 0,25 (zeer licht) in beginsel als passend kan worden aangemerkt.

1.2.

De rechtbank vermeldt hierna eerst het procesverloop (2). Vervolgens beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid en gegrondheid van het beroep, de op te leggen beslistermijn en de hoogte van de dwangsom (3-5), waarna zij haar oordeel over de toepasselijke wegingsfactor toelicht (6). De uitspraak sluit af met de conclusie (7-8) en de beslissing.

Procesverloop

2. [naam] (referent) heeft op 13 januari 2025 namens de andere eisers – zijn echtgenote en kinderen – aanvragen ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. Vanwege het uitblijven van een tijdig besluit hebben eisers op 8 november 2025 beroep ingesteld. In de uitspraak van 22 december 2025 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen, als hij eisers niet in de gelegenheid stelt verzuimen te herstellen of nader onderzoek verricht, binnen vier weken na de dag van verzending van die uitspraak alsnog een besluit bekend te maken.

2.1.

Omdat de minister aan deze uitspraak geen gevolg heeft gegeven, hebben eisers op 19 juni 2026 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Ook zijn mr. B.C. Pfeifle (concern juridisch adviseur) en E. Böhmer (medewerker Kwaliteit) gehoord, beiden werkzaam voor de Raad voor Rechtsbijstand.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?

3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond. De minister heeft niet binnen de bij uitspraak van 22 december 2025 opgelegde termijn een besluit op de aanvraag bekendgemaakt. Het opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de nareisaanvraag is vervolgens op 19 juni 2026 ingediend. Voor dit beroep is niet vereist dat de minister opnieuw in gebreke wordt gesteld.

Welke beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?

4. Als het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond is, legt de rechtbank in beginsel een beslistermijn van twee weken op. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn opleggen.

4.1.

Bij nareisaanvragen is sprake van een bijzonder geval. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij dergelijke aanvragen aanleiding bestaat voor een langere termijn dan de hoofdregel van twee weken. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan een termijn van vier, acht, zestien of twintig weken passend zijn.

4.2.

In het verweerschrift heeft de minister erop gewezen dat hij de besluitvorming in een deel van de vóór 12 juni 2026 ingediende nareisaanvragen uitstelt totdat de Afdeling een richtinggevende uitspraak over de gewijzigde nareisregels heeft gedaan. Het gaat volgens de minister om ongeveer 19.000 aanvragen. De minister wil hiermee voorkomen dat, na de uitspraak van de Afdeling, mogelijk veel juridische vervolgprocedures en hersteloperaties nodig zijn. Alleen bij ernstige spoed wordt bij uitzondering wel beslist. De minister stelt zich op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden en verzoekt de rechtbank de nadere beslistermijn pas te laten aanvangen nadat de Afdeling de bedoelde richtinggevende uitspraak heeft gedaan. Volgens de minister is vervolgens nog een termijn van twintig weken nodig om tot een besluit te komen.

4.3.

De rechtbank gaat niet mee in het verzoek van de minister. De rechtbank heeft begrip voor de behoefte van de minister om, gelet op de omvang van het aantal nareisaanvragen, eerst duidelijkheid te verkrijgen over de toepassing van de nieuwe regels en daarmee veel vervolgprocedures en mogelijke hersteloperaties te voorkomen. Dit is echter een organisatorische keuze van de minister. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 mei 2025 geoordeeld dat dergelijke organisatorische keuzes – het ging in die zaak om het door de minister gehanteerde ‘first in, first out’-principe (fifo-principe) – niet afdoen aan de verplichting om binnen de wettelijke beslistermijn of een door de rechtbank opgelegde beslistermijn te beslissen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de aanvang van de nadere beslistermijn afhankelijk te maken van een toekomstige uitspraak van de Afdeling. Daarbij komt dat de door de minister voorgestelde termijn geen concreet beginmoment heeft. Het staat immers niet vast wanneer de Afdeling de bedoelde richtinggevende uitspraak zal doen. Dat is niet verenigbaar met de systematiek van artikel 8:55d van de Awb. Uit artikel 8:55d, derde lid, van de Awb gelezen in samenhang met het eerste lid van dit artikel volgt namelijk dat de rechter een termijn stelt die ingaat op de dag na verzending van de uitspraak. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een concrete termijn op te leggen die begint op de dag na verzending van deze uitspraak. Daarom is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als door de minister bedoeld.

4.4.

Wanneer de rechtbank een opvolgend beroep tegen niet tijdig beslissen gegrond verklaart, legt zij in de regel een kortere nadere termijn op dan zij bij een eerste beroep tegen niet tijdig beslissen zou doen. In die situatie geldt het uitgangspunt dat de rechtbank van de termijn die zij zou opleggen bij een eerste beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit, het gedeelte dat voor de minister is bedoeld om te kunnen beslissen – in dit geval vier weken – halveert.

4.5.

De rechtbank stelt een termijn vast die overeenstemt met de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024 en het onder 4.4 geformuleerde uitgangspunt. De rechtbank vindt daarom het volgende passend:

- de minister moet binnen een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak

1) een besluit op de aanvraag bekendmaken, of

2) gelegenheid tot herstel van verzuim(en) bieden, of

3) eisers schriftelijk meedelen dat hij heeft beslist tot nader onderzoek;

- als hij eisers in de gelegenheid stelt tot herstel van verzuim(en), moet hij binnen zes weken na verzending van de uitspraak of een besluit op de aanvraag bekendmaken of eisers schriftelijk meedelen dat hij heeft beslist tot nader onderzoek;

- als hij binnen de hiervoor genoemde termijn van twee dan wel zes weken eisers schriftelijk heeft meegedeeld dat hij heeft beslist tot nader onderzoek, moet hij het besluit binnen veertien dan wel achttien weken na verzending van deze uitspraak bekend maken.

Welke dwangsom legt de rechtbank aan de minister op?

5. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een rechterlijke dwangsom. De wet waarmee de verplichting tot het opleggen van een rechterlijke dwangsom is afgeschaft, is niet van toepassing op beroepen die voor 16 oktober 2026 bij de rechtbank zijn ingediend. De rechtbank sluit voor de hoogte van deze dwangsom aan bij de aanbeveling. De rechtbank bepaalt de dwangsom daarom op € 50 per dag voor iedere dag waarmee de hiervoor onder 4.5 genoemde termijn(en) wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.

Welke wegingsfactor moet worden toegepast bij de proceskostenvergoeding?

6. Omdat het beroep gegrond is, komen eisers in aanmerking voor vergoeding van de proceskosten. De rechtbank moet daarom bepalen welke wegingsfactor moet worden toegepast bij de berekening van de vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6.1.

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (BPB) wordt bij de berekening van een vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor toegepast, afhankelijk van het gewicht van de zaak. Het BPB onderscheidt in dit verband vijf categorieën: zeer lichte zaken (wegingsfactor 0,25), lichte zaken (0,5), gemiddelde zaken (1), zware zaken (1,5) en zeer zware zaken (2). Uit de nota van toelichting bij het BPB volgt dat het gewicht van de zaak wordt bepaald door de complexiteit en het belang van de zaak. Wat betreft de complexiteit staat in de nota van toelichting dat de proceskostenvergoeding evenredig moet zijn met de prestatie van de rechtsbijstandverlener. Bij de berekening van de vergoeding moet worden uitgegaan van de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om het besluit aan te vechten en niet van de feitelijke tijd die de rechtsbijstandsverlener aan de zaak besteedt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, behoort de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij duidelijke redenen bestaan om daarvan af te wijken.

De historische ontwikkeling van de wegingsfactor bij beroepen tegen niet tijdig beslissen

6.2.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling en de andere hoogste bestuursrechters volgt dat bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit in beginsel wegingsfactor 0,5 wordt toegepast.

6.2.1.

Deze lijn is echter niet altijd zo geweest. Tot 13 juni 2001 hanteerde de Afdeling bij beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook een wegingsfactor van 0,5. In de uitspraken van 13 juni 2001 is de Afdeling daarvan teruggekomen en is zij een wegingsfactor van 0,25 gaan hanteren. De Afdeling heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het bij een dergelijk beroep uitsluitend gaat om de vraag of de beslistermijn is overschreden en dat daarbij geen beoordeling door de rechter van het materiële geschil plaatsvindt. De Afdeling achtte het beroep daarom van zeer licht gewicht. Daarbij wees zij er ook op dat een vraag van lichter gewicht dan die bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet snel zal voorkomen. De Afdeling heeft deze benadering vervolgens gedurende een lange periode gevolgd. Tot juni 2016 werd bij beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit consequent een wegingsfactor van 0,25 toegepast. Daarmee was in de rechtspraak van de Afdeling vijftien jaar het uitgangspunt dat een procedure waarin uitsluitend de tijdigheid van de besluitvorming aan de orde is, behoort tot de lichtste categorie zaken. Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven blijkt dat ook deze hoogste bestuursrechters vóór 2016 bij beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit een wegingsfactor van 0,25 hanteerden. Ook bij deze hoogste bestuursrechters gold dus het uitgangspunt dat een beroep waarin uitsluitend de tijdigheid van besluitvorming aan de orde is, een zeer licht karakter heeft.

In de uitspraak van 1 juni 2016 is de Afdeling voor het eerst weer wegingsfactor 0,5 gaan toepassen. Deze koerswijziging is in die uitspraak niet toegelicht. De Afdeling heeft volstaan met de constatering dat de zaak als “licht” moet worden aangemerkt. Niet is toegelicht waarom de eerder door de Afdeling gegeven motivering – dat een vraag van lichter gewicht dan die bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet snel zal voorkomen – niet langer tot de conclusie leidde dat sprake was van een zeer lichte zaak. De andere hoogste bestuursrechters zijn sinds 2016 ook weer wegingsfactor 0,5 in dit soort zaken gaan toepassen.

De rechtbank acht het van belang om op deze historische ontwikkeling te wijzen, omdat de Afdeling dus gedurende lange tijd het uitgangspunt hanteerde dat beroepen tegen het niet tijdig beslissen vanwege hun eenvoud tot de lichtste categorie zaken behoorden.

Is wegingsfactor 0,5 een vaste ondergrens?

6.3.

Voor beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit volgt uit vaste rechtspraak sinds 2016 van de Afdeling en de andere hoogste bestuursrechters dat in beginsel wegingsfactor 0,5 wordt toegepast. Deze rechtspraak brengt naar het oordeel van de rechtbank echter niet mee dat wegingsfactor 0,5 in iedere zaak waarin beroep wordt ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit moet worden toegepast. Het gaat om een uitgangspunt. Het BPB kent geen vaste wegingsfactor per soort procedure. Het BPB verlangt een beoordeling van het gewicht van de concrete zaak. Deze rechtspraak brengt mee dat ook bij beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit ruimte bestaat om, afhankelijk van het belang, de complexiteit en de redelijkerwijs noodzakelijke werkzaamheden, van het uitgangspunt van 0,5 af te wijken. Die afwijking kan zowel naar boven als naar beneden plaatsvinden. Als de concrete zaak wezenlijk eenvoudiger is dan de gemiddelde beroep-niet-tijdigzaak waarop het uitgangspunt van 0,5 betrekking heeft, kan aanleiding bestaan om wegingsfactor 0,25 toe te passen. Omgekeerd kan een hogere wegingsfactor gerechtvaardigd zijn als de zaak, door haar omvang, juridische complexiteit, processuele bijzonderheden of het daarmee gemoeide belang, aanzienlijk zwaarder is dan de gemiddelde beroep-niet-tijdigzaak. De Afdeling heeft ook bij beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit aanleiding gezien om in bijzondere omstandigheden een hogere wegingsfactor toe te kennen. De rechtbank ziet geen grond om aan te nemen dat afwijking van het uitgangspunt uitsluitend naar boven mogelijk is. Zou dat wel zo zijn, dan zouden de woorden ‘in beginsel’ hun betekenis verliezen en zou de wegingsfactor van 0,5 feitelijk als vaste ondergrens gaan fungeren. Dat volgt niet uit (de nota van toelichting bij) het BPB en ook niet uit de rechtspraak waarin deze wegingsfactor als uitgangspunt wordt gehanteerd.

De betekenis van de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2026

6.4.

De rechtbank is bekend met de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2026. In die uitspraak heeft de Afdeling in een zaak over een opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geoordeeld dat wegingsfactor 0,5 en niet 0,25 moet worden toegepast. Zij heeft daarbij van belang geacht dat ook in een opvolgend beroep beroepsgronden moeten worden ingediend en termijnen moeten worden bewaakt. Ook heeft de Afdeling gewezen op het belang van de vreemdeling bij het verkrijgen van een besluit.

6.4.1.

De rechtbank volgt dit oordeel niet. Naar het oordeel van de rechtbank maakt die uitspraak onvoldoende inzichtelijk waarom de concrete kenmerken van een opvolgend beroep tegen niet tijdig beslissen niet leiden tot een lagere wegingsfactor binnen de systematiek van het BPB. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 1 december 2025 uitvoerig stilgestaan bij de aard van de werkzaamheden bij een opvolgend beroep en de verschillen met de werkzaamheden in het kader van eerste beroepen tegen niet tijdig beslissen. De Afdeling is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ingegaan op de dragende overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen. De rechtbank ziet aanleiding om haar overwegingen nu verder toe te lichten. Zij doet dat hierna aan de hand van de twee in de nota van toelichting bij het BPB genoemde criteria voor het bepalen van het gewicht van een zaak: de ingewikkeldheid (6.5) en het belang (6.6). Aanvullend wijst de rechtbank op het, ook in de nota van toelichting bij het BPB genoemde, belang tot aansluiting bij de toevoegingspraktijk (6.7).

Eerste criterium voor het gewicht van de zaak: de ingewikkeldheid

6.5.

De Afdeling erkent in haar uitspraak van 15 juni 2026 dat de omvang van de werkzaamheden voor het instellen van een opvolgend beroep geringer is, omdat een rechtsbijstandverlener de minister bijvoorbeeld niet eerst in gebreke hoeft te stellen. Toch acht de Afdeling een lagere wegingsfactor niet gerechtvaardigd. De Afdeling noemt daarvoor met name de noodzaak van de indiening van beroepsgronden en het bewaken van termijnen.

6.5.1

Het argument van de Afdeling dat het enkele feit dat nog steeds beroepsgronden moeten worden ingediend aan toepassing van wegingsfactor 0,25 in de weg staat, overtuigt de rechtbank niet. Dat een beroepschrift formeel gronden moet bevatten geldt voor iedere bestuursrechtelijke procedure. Die omstandigheid kan daarom op zichzelf geen onderscheidend criterium zijn voor de beoordeling van het gewicht van de concrete zaak. De relevante vraag is niet óf enige proceshandeling moet worden verricht, maar welke werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk zijn om de procedure te voeren en welk gewicht aan die werkzaamheden toekomt.

6.5.2.

Juist bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, in het bijzonder een opvolgend beroep, is het karakter van de noodzakelijke werkzaamheden wezenlijk anders dan bij een beroep tegen een inhoudelijk besluit. De gemachtigde hoeft geen inhoudelijke beoordeling van een besluit te maken en geen inhoudelijke beroepsgronden tegen een besluit te formuleren. De kern van het geschil is beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan binnen de daarvoor geldende termijn heeft beslist. Dat de motiveringseisen bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit zeer beperkt zijn, volgt ook uit artikel 3.1, vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (Procesreglement). Daarin is bepaald dat als beroepsgrond kan worden volstaan met de stelling dat het besluit te laat is genomen. In de rechtspraktijk van alle zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag wordt dan ook standaard genoegen genomen met een pro forma-beroepschrift en worden er door de griffie geen aanvullende beroepsgronden opgevraagd. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 1 december 2025 ook gewezen op deze bepaling. De Afdeling gaat in haar uitspraak van 15 juni 2026 niet in op deze bepaling en ook niet op de betekenis daarvan voor de omvang van de werkzaamheden van de gemachtigde.

6.5.3.

Artikel 3.1, vierde lid, van het Procesreglement sluit aan bij de bedoeling van de wetgever. In de memorie van toelichting bij artikel 6:5 van de Awb is met betrekking tot het vereiste dat het bezwaar- of beroepschrift de gronden van het bezwaar of beroep moet bevatten, het volgende opgemerkt:

“Het bezwaar- of beroepschrift dient uiteraard de gronden voor het bezwaar of beroep te bevatten. De eisen die in dit opzicht kunnen worden gesteld, zullen onder meer samenhangen met de aard van de motivering die het bestuursorgaan voor zijn bestreden besluit heeft gegeven. Is deze summier of ontbreekt zij geheel, zoals bijvoorbeeld bij een fictieve weigering het geval zal zijn, dan zal ook het bezwaar- of beroepschrift summier gemotiveerd kunnen zijn.”

Ook in de memorie van antwoord is dit uitgangspunt bevestigd:

“De in artikel 6.2.0a opgenomen eisen voor bezwaar- en beroepschriften kunnen beschouwd worden als minimale eisen die voor een doelmatige behandeling van zulke geschriften door bestuur of rechter nodig zijn.”

De wetgever heeft hiermee tot uitdrukking gebracht dat de eisen die aan de motivering van een beroepschrift worden gesteld niet in iedere procedure dezelfde hoeven te zijn. Bij een fictieve weigering – de situatie die vergelijkbaar is met een beroep tegen niet tijdig beslissen – kan daarom worden volstaan met een summiere motivering. Dit geldt te meer bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het is dan niet nodig om toe te lichten dat de minister de eerder door de rechtbank opgelegde beslistermijn niet heeft nageleefd. Wanneer het beroepschrift duidelijk maakt dat het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is bij deze zaaksoort voldoende duidelijk wat de rechter moet beoordelen.

6.5.4.

De overweging van de Afdeling roept bovendien praktische vragen op. Als het enkele bestaan van een noodzaak tot het indienen van beroepsgronden betekent dat wegingsfactor 0,25 niet kan worden toegepast, zou dat impliceren dat in iedere beroep-niet-tijdigzaak steeds nadere gronden moeten worden ingediend en, als deze ontbreken, moeten worden opgevraagd. Dat zou leiden tot een aanzienlijke toename van administratieve handelingen bij de verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank en gemachtigden, terwijl de wetgever juist heeft beoogd het beroep tegen niet tijdig beslissen als een laagdrempelig rechtsmiddel tegen bestuurlijke traagheid vorm te geven. De rechtbank zal dat dan ook niet doen.

6.5.5.

Ook is een dergelijke benadering moeilijk verenigbaar met de ratio van artikel 6:12 van de Awb. Deze bepaling beoogt te voorkomen dat een bestuursorgaan door niet tijdig te beslissen de toegang tot de bestuursrechter kan blokkeren. De procedure is daarom bewust eenvoudig gehouden. Aan de motivering van dit beroep mogen daarom geen hoge eisen worden gesteld. Een dergelijke benadering miskent dit bijzondere karakter.

6.5.6.

De rechtbank wijst er verder op dat bij de beoordeling van de proceskostenvergoeding moet worden uitgegaan van de werkzaamheden die redelijkerwijs noodzakelijk zijn en niet van de werkzaamheden die feitelijk zijn verricht. Voor zover aanvullende beroepsgronden zijn ingediend, betekent dit daarom niet dat de omvang daarvan zonder meer bepalend is voor het gewicht van de zaak. Als deze gronden redelijkerwijs niet nodig waren, kunnen zij niet als zelfstandige grond dienen om de zaak als ‘licht’ in plaats van ‘zeer licht’ aan te merken.

6.5.7.

De werkzaamheden voor het indienen van een opvolgend beroep zijn ook op andere punten beperkt. Anders dan bij een eerste beroep tegens het niet tijdig beslissen, is het niet nodig om de minister opnieuw in gebreke te stellen. Bij het eerste beroep moet daarnaast nog worden vastgesteld dat de beslistermijn is overschreden, wat onderzoek vergt naar het tijdstip van de aanvraag, de van toepassing zijnde beslistermijn en een eventuele verlenging of opschorting van de beslistermijn. In het vreemdelingenrecht zijn dit aspecten waarover discussie kan ontstaan en aangenomen moet worden dat een rechtsbijstandsverlener dit onderzoekt voordat hij een eerste beroep instelt. In een opvolgend beroep hoeft de gemachtigde dit niet opnieuw te onderzoeken. Uit de overwegingen en het dictum van de eerdere uitspraak kan op eenvoudige wijze worden afgeleid binnen welke termijn de minister een besluit moet nemen en, bij gebreke daarvan, dat een opvolgend beroep tegen niet tijdig beslissen kan worden ingesteld. De beoordeling beperkt zich tot een enkele kalendercheck. Dat de termijnbewaking bij een opvolgend beroep een hogere wegingsfactor dan 0,25 rechtvaardigt, volgt de rechtbank daarom ook niet. Het bewaken van een rechterlijke termijn is weliswaar een noodzakelijke handeling, maar is op zichzelf bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit eenvoudig en rechtvaardigt geen wegingsfactor 0,5. Verder hoeft een gemachtigde niet te reageren op een verweerschrift, omdat bij een beroep tegen niet tijdig beslissen in het algemeen geen verweerschrift wordt ingediend. Ook hoeft een gemachtigde niet om toekenning van dwangsommen te verzoeken. De rechtbank is (bij beroepen die voor 16 oktober 2025 zijn ingediend) op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb verplicht om aan een gegrond beroep tegen het niet tijdig beslissen een rechterlijke dwangsom te verbinden en de bestuurlijke dwangsom is afgeschaft. Voor beroepen die na 15 oktober 2026 worden ingediend is de rechterlijke dwangsom afgeschaft.

Tweede criterium voor het gewicht van de zaak: het belang

6.6.

Wat betreft het tweede criterium – het belang van de zaak – heeft de Afdeling in haar uitspraak van 15 juni 2026 overwogen dat het belang van de vreemdeling bij het verkrijgen van een besluit een vergoeding op basis van wegingsfactor 0,5 rechtvaardigt. Het belang van dat beroep is volgens de Afdeling niet zeer beperkt, omdat het opvolgend beroep het enige rechtsmiddel is tegen niet-tijdige besluitvorming.

6.6.1.

Anders dan de Afdeling lijkt te veronderstellen, heeft de rechtbank in haar uitspraak van 1 december 2025 niet overwogen dat het belang bij het instellen van dit beroep zeer beperkt is. Wel moet worden vastgesteld dat een dergelijk beroep niet gaat over de inhoud van de nareisaanvraag, maar uitsluitend over de voortgang van de procedure. Het effect van dit rechtsmiddel op die voortgang is bovendien beperkt. De minister hanteert in verband met bestaande achterstanden namelijk het ‘first in, first out'-principe (het fifo-principe), waardoor aanvragen in beginsel op volgorde van binnenkomst worden behandeld. Het instellen van een beroep tegen niet tijdig beslissen verandert niets aan dit aanvangsmoment en leidt in de praktijk dus niet tot een snellere besluitvorming. Als aan een opvolgend beroep standaard wegingsfactor 0,5 zou worden toegekend, ontstaat bovendien het risico van een ongewenste financiële prikkel om routinematig opvolgende beroepen in te dienen, zonder dat dit enige inhoudelijke meerwaarde biedt voor de (snelheid van de) besluitvorming of de rechtspositie van de vreemdeling.

Aansluiting bij de toevoegingspraktijk

6.7.

Tot slot vindt de toepassing van wegingsfactor 0,25 steun in de aansluiting bij het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Uit de nota van toelichting bij het BPB volgt dat de rechter bij de bepaling van het gewicht van een zaak bijlage I.A bij het Besluit vergoedingen rechtsbijstand tot richtsnoer kan nemen. Hoewel deze aansluiting bij het toevoegingenstelsel de rechter niet bindt, biedt zij wel een duidelijke richtlijn voor de verhouding tussen de zwaarte van de werkzaamheden en de toe te kennen proceskostenvergoeding. Zoals door de medewerkers van de Raad voor Rechtsbijstand op de zitting is toegelicht, wordt voor een beroep tegen niet tijdig beslissen in beginsel een Lichte Advies Toevoeging (LAT) verstrekt op grond van artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand. Aan een LAT worden twee punten toegekend, wat staat voor een forfaitaire vergoeding van een eenvoudig advies of een beperkte proceshandeling

(€ 286,08). De rechtbank is van oordeel dat het toekennen van een wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op een bedrag aan proceskosten van € 226,75, beter aansluit bij de LAT.

Conclusie over de wegingsfactor in deze en toekomstige zaken

7. Gelet op dat wat onder 6.1 tot en met 6.7 is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat bij een gegrond opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een nareisaanvraag als uitgangspunt wegingsfactor 0,25 (zeer licht) moet worden toegepast. De rechtbank zal dit uitgangspunt in toekomstige zaken hanteren. In deze specifieke zaak ziet de rechtbank echter aanleiding om af te wijken van dit nieuwe uitgangspunt en toepassing te geven aan wegingsfactor 0,5. Daartoe is redengevend dat in deze procedure principiële rechtsvragen aan de orde zijn gesteld over de rechtspraak van de Afdeling over de wegingsfactor. Ook is de zaak behandeld op een zitting van een meervoudige kamer. Gelet op deze omstandigheden en de daardoor redelijkerwijs noodzakelijk geworden extra werkzaamheden, acht de rechtbank voor dit specifieke geval een vergoeding op basis van wegingsfactor 0,5 passend.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister de onder 4.5 genoemde termijn(en) krijgt om alsnog een besluit te nemen en de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.

8.1.

Omdat het beroep gegrond is, moet de minister een vergoeding voor de proceskosten betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het BPB vast op € 934, namelijk 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat eisers zijn vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen, hoeft de minister dit niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

  • draagt de minister het volgende op:

  • hij moet binnen een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak

1) een besluit op de aanvraag bekendmaken, of

2) gelegenheid tot herstel van verzuim(en) bieden, of

3) eisers schriftelijk meedelen dat hij heeft beslist tot nader onderzoek;

  • als hij eisers in de gelegenheid stelt tot herstel van verzuim(en), moet hij binnen zes weken na verzending van de uitspraak of een besluit op de aanvraag bekendmaken of eisers schriftelijk meedelen dat hij heeft beslist tot nader onderzoek;

  • als hij binnen de hiervoor genoemde termijn van twee dan wel zes weken eisers schriftelijk heeft meegedeeld dat hij heeft beslist tot nader onderzoek, moet hij het besluit binnen veertien dan wel achttien weken na verzending van deze uitspraak bekendmaken;

  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 50 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;

  • veroordeelt de minister tot betaling van € 934 aan proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, voorzitter, en

mr. W.P.C.G. Derksen en mr. S. Kompier, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

ABRvS 15 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2104. Rechtbank Den Haag (zp. Arnhem) 22 december 2025, NL25.54913 (niet gepubliceerd). Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ABRvS 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2644, onder 6. ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2337. ABRvS 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2642, onder 2.2 en ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5232, onder 6.11. Daarbij is rekening gehouden met een termijn van twaalf weken voor het nader onderzoek. Dit staat in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie artikel 1A en 1B van de novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring (Stb. 2026, 315), gelezen in samenhang met het Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding (Stb. 2026, 320). https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken. Stb. 1993, 763. ABRvS 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1868. ABRvS 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:408. ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253. Zie bijv. ABRvS 30 juni 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6730. ABRvS 13 juni 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB6602, onder 2.1.1, en ABRvS 13 juni 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB2684, onder 2.3. 15 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1609, CRvB 12 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2068, CRvB 8 januari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO2083 en CRvB 2 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:480. CBb 8 april 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BP7732, CBb 24 november 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BU6851, CBb 31 juli 2002, ECLI:NL:CBB:2002:AE6338 en CBb 22 augustus 2014, ECLI:NL:CBB:2014:321. ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1453. CRvB 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288, onder 4.3 en CBb 23 november 2017, ECLI:NL:CBB:2017:458. ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253. ABRvS 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796 en ABRvS 8 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2775. Rechtbank Den Haag (zp. Arnhem) 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22665. Vergelijk ook ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301, onder 21.3. TK 1988 - 1989, 21 221, nr. 3, p. 122. Cursivering door de rechtbank. TK 1990 - 1991, 21221, nr. 5, p. 84. Stb. 1993, 763, p. 8 en 9.