Vreemdelingenrecht

beroep niet tijdig beslissen

Rechtbank Den Haag, 7 maart 2024

Zaakgegevens

Op 7 maart 2024 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
7 maart 2024
Datum publicatie
7 maart 2024
Zaaknummer
23.40573
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:3037
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

beroep niet tijdig beslissen

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.40573


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],

van Syrische nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Procesverloop

Eiser heeft op 30 augustus 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend bij de staatssecretaris.

Bij brief van 8 december 2023 heeft eiser de staatssecretaris in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Eiser heeft vervolgens op 29 december 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.

2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.

3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

4. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet de staatssecretaris binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de termijn, als bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn op 28 november 2023 is verstreken, dat eiser de staatssecretaris rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.

5. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.

6. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank, gelet op de jurisprudentie ter zake

(ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353) een rechterlijke dwangsom

opleggen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb

bepalen dat de staatssecretaris alsnog een besluit bekend dient te maken op de asielaanvraag

van eiser. In de uitspraak van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) heeft de ABRvS de

staatssecretaris gevolgd in het standpunt dat een termijn van acht weken voor het houden

van een eerste gehoor en een termijn van acht weken voor het bekend maken van een besluit

op de aanvraag (het 8+8-wekenmodel) passend is. De rechtbank ziet geen aanleiding

daarover anders te oordelen. Het nader gehoor heeft hier plaatsgevonden op 18 december

2023, dus zal de rechtbank de staatssecretaris een termijn van acht weken geven.

7. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat

de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de

beslistermijn wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum

van € 7.500,-.

8. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte

proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten

bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van

€ 875,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

  • draagt de staatssecretaris op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;

  • bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;

  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
    € 437,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.