Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Vereenvoudigde behandeling · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 3 juli 2025

Zaakgegevens

Op 3 juli 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
3 juli 2025
Datum publicatie
3 juli 2025
Zaaknummer
25.17200
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:11726
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin BZ, plakvovo

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.17200


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[naam], verzoeker,

geboren op [geboortedatum],

van Marokkaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. F. van Dijk),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.


Inleiding

1. De minister heeft op 11 april 2025 de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

1.1.

Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.17199, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep en het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).