Vreemdelingenrecht

Dublin, voorlopige voorziening, BZ, afgewezen

Rechtbank Den Haag, 11 april 2025

Zaakgegevens

Op 11 april 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
11 april 2025
Datum publicatie
11 april 2025
Zaaknummer
25.2539
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:6045
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin, voorlopige voorziening, BZ, afgewezen

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.2539


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[naam], verzoeker,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. R.S. Frickus),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.


Overwegingen

1. Bij besluit van 16 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

1.1.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL25.2538). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.2538, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af als kennelijk ongegrond.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht.