Vreemdelingenrecht

Dublin Duitsland vovo. Zie ook ECLI:NL:RBDHA:2020:2589

Rechtbank Den Haag, 19 maart 2020

Zaakgegevens

Op 19 maart 2020 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
19 maart 2020
Datum publicatie
24 maart 2020
Zaaknummer
NL20.5160 en NL20.5163
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2020:2590
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin Duitsland vovo. Zie ook ECLI:NL:RBDHA:2020:2589

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.5160 en NL20.5163


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer 1] ,

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [nummer 2] ,

Mede namens haar minderjarige kind

[naam minderjarige] ,

V-nummer: [nummer 3] ,

samen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. O.C. Bondam),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).


Procesverloop

Bij besluiten van 26 februari 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.


Verzoekers hebben, in de hoedanigheid van eisers, tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL20.5159 en NL20.5162, plaatsgevonden op 12 maart 2020. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Een voorlopige voorziening is alleen mogelijk als de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummers NL20.5159 en NL20.5162, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer mogelijk. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden af.

2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.