Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 23 april 2021

Zaakgegevens

Op 23 april 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
23 april 2021
Datum publicatie
25 februari 2022
Zaaknummer
NL21.4591
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:15819
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

AKT, plakvovo

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.4591

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.4590, plaatsgevonden op 19 april 2021. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij tussenuitspraak van vandaag stelt de rechtbank verweerder in de gelegenheid om het in het bestreden besluit geconstateerde gebrek binnen vier weken te herstellen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te beslissen dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.

2. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat is beslist op het beroep;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]23 april 2021

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Mr. R.J.A. Schaaf E. Kersten

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.