Vreemdelingenrecht

Verzoek om proceskostenvergoeding toegewezen.

Rechtbank Den Haag, 8 april 2022

Zaakgegevens

Op 8 april 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
8 april 2022
Datum publicatie
8 november 2022
Zaaknummer
NL22. 1017
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:11619
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om proceskostenvergoeding toegewezen.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Bestuursrecht zaaknummer: NL22. 1017

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.D. de Wit), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: 1m. D. Meier).

Proces verloop

In het besluit van 13 januari 2022 (primair besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid als zelfstandige van verzoeker ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf8 januari 2020.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

In het besluit van 8 maart 2022 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard en de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van verzoeker verlengd van 8 januari 2020 tot 8 januari 2027.

Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voor21emng ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.

Verweerder heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat hij bereid is de proceskosten van verzoeker te vergoeden tot een bedrag van€ 759,-.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

zaaknumrner: NL22.1017 2

[afbeelding niet beschikbaar]

2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.

3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening.

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 759,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van

€ 759,- met een wegingsfactor 1).

5. Verweerder moet ook het griffierecht van €184,- dat verzoeker heeft betaald aan verzoeker betalen (artikel 8:41 Awb).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • veroordeelt verweerder tot betaling van€ 759,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker;

  • bepaalt dat verweerder het griffierecht dat verzoeker heeft betaald moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier.

zaaknummer: NL22.1017 3

[afbeelding niet beschikbaar]De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

08 april 2022

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [nummer]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.