Vreemdelingenrecht
Verzoek om voorlopige voorziening, verweerder verzet zich niet tegen toewijzing, verzoek toegewezen.
Rechtbank Den Haag, 21 april 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:11907 · Rechtbank Den Haag · 21 april 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2022-11907
Zaakgegevens
Op 21 april 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 21 april 2022
- Datum publicatie
- 11 november 2022
- Zaaknummer
- AWB - 21 _ 1944
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:11907
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om voorlopige voorziening, verweerder verzet zich niet tegen toewijzing, verzoek toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/1944
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2022 in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: R.P.G. van Bel).
Procesverloop
In het besluit van 9 juli 2018 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘familie en gezin’ afgewezen.
In het besluit van 3 mei 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 1 februari 2021 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen (aanvullend besluit). Het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit blijft ongegrond.
Op 30 maart 2021 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verzoeker wil met zijn aanvraag bereiken dat hij in Nederland mag verblijven bij zijn vader ( [A] , referent). De vader van verzoeker had een verblijfsvergunning, maar deze is met terugwerkende kracht ingetrokken. Hierover is zijn vader in procedure. Recent is door de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van verzoekers vader. Verweerder is het niet eens met die uitspraak en heeft hoger beroep ingesteld.
3. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om het beroep van verzoeker aan te houden in afwachting van de uitspraak in het hoger beroep van de vader van verzoeker. Vanwege dit verzoek om aanhouding, heeft verweerder in zijn brief van 12 april 2022 meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
4. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft en kan worden uitgezet. Met het instellen van beroep tegen het bestreden besluit wordt niet bereikt dat hij niet kan worden uitgezet. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder niet zelf de bevoegdheid heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten.
5. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat op dit moment van uitzetting van verzoeker moet worden afgezien, is het verzoek kennelijk gegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting wordt verboden tot vier weken nadat op het beroep is beslist.
6. Het beroep wordt aangehouden totdat uitspraak is gedaan in het hoger beroep over de intrekking van de verblijfsvergunning van de vader van verzoeker.
7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2022.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: