Vreemdelingenrecht

Voorlopige voorziening. no. geen griffierecht.

Rechtbank Den Haag, 1 juni 2022

Zaakgegevens

Op 1 juni 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
1 juni 2022
Datum publicatie
25 november 2022
Zaaknummer
AWB 21/3372
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:12604
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening. no. geen griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 21/3372

uitspraak van voorzieningenrechter van 1 juni 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] V-nummer: [V-nummer] , verzoekster

(gemachtigde: J.S. Roseval),

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder).

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 28 mei 2021 de aanvraag om een verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’, afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze bedraagt het griffierecht € 181,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.

3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 1 februari 2022 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te betalen. Het griffierecht is niet door de rechtbank ontvangen. Verzoekster heeft het griffierecht dus niet binnen de gestelde termijn betaald en heeft hiervoor geen (geldige) reden gegeven.

4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening

niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2022.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.

Zie artikel 8:82 van de Awb en artikel 8:41 van de Awb.