Vreemdelingenrecht
Vovo hangende verzet afgewezen. Gronden van verzoek geven op voorhand onvoldoende aanleiding om te oordelen…
Rechtbank Den Haag, 26 augustus 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:13789 · Rechtbank Den Haag · 26 augustus 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2022-13789
Zaakgegevens
Op 26 augustus 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 26 augustus 2022
- Datum publicatie
- 20 december 2022
- Zaaknummer
- NL22.16714
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:13789
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo hangende verzet afgewezen. Gronden van verzoek geven op voorhand onvoldoende aanleiding om te oordelen dat het verzet een redelijke kans van slagen heeft.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.16714
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2022 op het verzoek om een voorlopige voorziening van
[verzoeker] , verzoeker, V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. van Akenborgh),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.R. Vink).
Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 27 juli 2022 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 22 augustus 2022 heeft de rechtbank Den Haag dit beroep buiten zitting ongegrond verklaard.
Verzoeker is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 27 juli 2022 worden opgeschort tot vier weken na de beslissing op het verzetschrift en dat een overdracht aan Duitsland in deze periode achterwege blijft.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. Op grond van de wet kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken nu de overdracht van verzoeker aan de Duitse autoriteiten staat gepland op 29 augustus om 11:00 uur. Bij brief van 23 augustus 2022 heeft verweerder aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hij op dit tijdstip zal worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten. Verzoeker zal niet vanuit bewaring worden overgedragen maar vanuit het [instelling] te [plaats] . De uiterste overdrachtstermijn is gesteld op 1 september 2022.
2. Verzoeker voert aan dat de rechtbank haar beslissing niet draagkrachtig heeft gemotiveerd. Hij meent dat de rechtbank zijn zaak niet buiten zitting had mogen afdoen, nu dit betekent dat geen discussie ter zitting heeft kunnen plaatsvinden. Verder vindt verzoeker dat hij de tekortkomingen in de Duitse rechtsgang wel in beroep heeft aangegeven, met name ten aanzien van de beperkte mogelijkheden voor gesubsidieerde rechtsbijstand in Duitsland. Verzoeker meent vanwege het voorgaande dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zich over deze problemen had kunnen richten tot de hogere autoriteiten van Duitsland.
3. Ter beoordeling bij de voorzieningenrechter ligt in de huidige procedure voor of het verzet van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft waardoor verzoeker niet overgedragen mag worden aan Duitsland voordat op zijn verzet is beslist.
4. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker in verzet naar voren heeft gebracht niet op voorhand aanleiding te oordelen dat dit verzet een redelijke kans van slagen heeft. Uit de gronden van het verzoek blijkt de voorzieningenrechter onvoldoende dat de rechtbank het beroep niet buiten zitting heeft kunnen afdoen en dat een zitting noodzakelijk was. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat de rechtbank in de uitspraak van 22 augustus 2022 inhoudelijk is ingegaan op de beroepsgronden van verzoeker. Nu de voorzieningenrechter zich kan vinden in wat de rechtbank in haar uitspraak gemotiveerd heeft overwogen, bestaat er daarom geen aanleiding om daar anders over te oordelen.
5. In verzet heeft verzoeker geen gronden naar voren gebracht waaruit blijkt dat zich na de uitspraak van de rechtbank nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die zich tegen zijn uitzetting naar Duitsland verzetten.
6. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.N.H.J. Schenk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.