Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 25 mei 2022

Zaakgegevens

Op 25 mei 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
25 mei 2022
Datum publicatie
27 mei 2022
Zaaknummer
AWB 21/3448
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:5092
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 21/3448


uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 mei 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. B. Manawi),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2021 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Bij afzonderlijk besluit van diezelfde datum (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan verzoekster het voornemen kenbaar gemaakt aan haar een inreisverbod op te leggen.

Bij besluit van 8 juni 2021 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 18 juni 2021 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder op het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit 2 gereageerd en afgezien van het inreisverbod. Wel is aan verzoekster een terugkeerbesluit opgelegd.

Verzoekster heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.

2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank het hiervoor genoemde door verzoekster ingestelde beroep deels gegrond en deels ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4. Nu de rechtbank het beroep van verzoekster deels gegrond heeft verklaard, ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 759,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2022.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Algemene wet bestuursrecht. Zaaknummers 21/3447 en AWB 21/4234.