Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening toegewezen want 24 weken eis is onverbindend.
Rechtbank Den Haag, 25 oktober 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:20781 · Rechtbank Den Haag · 25 oktober 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2023-20781
Zaakgegevens
Op 25 oktober 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 25 oktober 2023
- Datum publicatie
- 2 januari 2024
- Zaaknummer
- UTR 23/4883 rectificatie
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20781
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening toegewezen want 24 weken eis is onverbindend.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: UTR 23/4883 – Rectificatie p. 2 en 3
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker over de aan zijn werkgever geweigerde tewerkstellingsvergunning voor hem. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
Verweerder heeft eerder een tewerkstellingsvergunning verleend voor de periode van
7 augustus 2023 tot 22 januari 2024. De werkgever van verzoeker heeft verzocht om verlenging van deze tewerkstellingsvergunning. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 5 oktober 2023 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. De ten behoeve van verzoeker verleende tewerkstellingsvergunning is verleend op grond van de asielzoekersregeling en heeft een beperkte geldigheidsduur, namelijk 24 weken, tot 22 januari 2024. Op grond van deze regeling mogen asielzoekers maximaal 24 weken per 52 weken werken. Verweerder heeft de gevraagde vergunning geweigerd omdat de 24-wekentermijn is overschreden.
2. De rechtbank heeft in vergelijkbare zaken de 24-wekentermijn onverbindend verklaard, omdat de toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers wordt beperkt zonder dat daar een rechtvaardiging voor is. Dat is in strijd met artikel 15, eerste en tweede lid, van de Opvangrichtlijn.
3. Gelet op deze uitspraken is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende reden om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek wordt toegewezen in die zin dat verzoeker vanaf 22 januari 2024 wordt behandeld als ware zijn werkgever [bedrijf] B.V. te [plaats] in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van hem, tot aan de beslissing op bezwaar. De rechtbank ziet geen reden om te bepalen dat het verzoek wordt toegewezen voor de door verzoeker gevraagde periode van 24 weken, omdat verweerder moet beoordelen of in de situatie van verzoeker is voldaan aan de overige voorwaarden voor een tewerkstellingsvergunning.
4. De rechtbank oordeelt dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in
artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Gemachtigde van verzoeker heeft veertien bezwaarschriften- waaronder die van verzoeker- ingediend. Tegen alle veertien zaken is door dezelfde gemachtigde bij deze rechtbank een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. De overige dertien zaken staan geregistreerd onder de volgende nummers volgende zaaknummers: UTR 23/4872;
UTR 23/4879; UTR 23/4885; UTR 23/4890; UTR 23/4880; UTR 23/4884; UTR 23/4882; UTR 23/4881; UTR 23/4888; UTR 23/4877; UTR 23/4873; UTR 23/4875; UTR 23/4889. De rechtbank overweegt dat sprake is van nagenoeg identieke werkzaamheden, omdat de tekst van de betreffende verzoeken en daaraan connexe bezwaarschriften van voornoemde veertien zaken nagenoeg identiek is en daarin niet is toegespitst op de persoonlijke situatie van verzoekers. De motivering van de verzoeken en bezwaarschriften berust ook alleen op juridische argumenten. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de veertien door gemachtigde ingediende verzoeken bezwaarschriften nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld door de rechtbank. De bezwaarschriften richten zich tegen het beleid van verweerder en niet tegen de individuele toepassing van dat beleid op de situatie van verzoekers.
5. De rechtbank heeft in de uitspraak van zaak UTR 23/4872 de totale hoogte van de proceskostenvergoeding berekend. Om deze reden zal de rechtbank zich daarover in deze uitspraak dan ook niet verder uitlaten.
6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoeker vanaf
22 januari 2024 wordt behandeld als ware zijn werkgever [bedrijf] B.V. te [plaats] in het bezit van een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van hem tot aan de beslissing op het bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht € 184,- aan verzoeker te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Hak, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2023.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: